• header07.jpg
  • header04.jpg
  • header09.jpg
  • header05.jpg
  • header03.jpg
  • header06.jpg
  • header01.jpg

Begin juli is een drukke tijd voor vleermuismoeders. Veel van de vleermuizen die je nu ’s avonds kunt zien vliegen zijn vrouwtjes die zich haasten om in korte tijd veel insecten te vangen, zodat ze daarna weer snel hun jong kunnen zogen. Als dagdieren zijn wij ons nauwelijks bewust van deze drukke kraamtijd. Hoogste tijd voor een natuurbericht vol met schattige babyfoto’s en piepgeluidjes.

Uitgestelde bevruchting

De periode van half mei tot en met juli is over het algemeen voor vleermuizen in Nederland de kraamtijd: de periode waarin ze zwanger zijn, hun jong krijgen en groot brengen. Bijzonder daarbij is dat onze vleermuizen al in de nazomer of winter paren en een vrouwtje het sperma in haar lichaam bewaart tot het voorjaar. Als de vrouwtjes na hun winterslaap weer voldoende zijn aangesterkt, wordt pas een eicel bevrucht en start de zwangerschap. Bij een koud en/of nat voorjaar zijn er minder insecten om te eten en start de zwangerschap later. De tijd van de geboorte kan per soort, per jaar en ook per individu dus wat verschillen. Bij bijvoorbeeld laatvliegers en grootoorvleermuizen worden er vaak ook in augustus nog jongen geboren.

Gewone dwergvleermuizen met drinkende pup in de kraamverblijfplaatsGewone dwergvleermuizen met drinkende pup in de kraamverblijfplaats (Bron: Erik Korsten)

Warme kraamkamer

Binnen een lokale populatie (in een wijk, dorp of bos) groeperen de vrouwtjes zich in de kraamtijd in één of meerdere kraamverblijfplaatsen in gebouwen of bomen. Gewone dwergvleermuizen en laatvliegers kiezen daarvoor vooral een ruimte in een spouwmuur of een dak. Grijze grootoorvleermuizen en ingekorven vleermuizen hebben de voorkeur voor warme zolders. Rosse vleermuizen en watervleermuizen vormen kraamgroepen in boomholten. Vaak worden relatief warme verblijfplaatsen gekozen, dichtbij gebieden waar ze goed op insecten kunnen jagen. Die warmte is belangrijk voor de jongen die ’s avonds in de kraamverblijfplaats worden achtergelaten.

Noordse vleermuismoeder met pupNoordse vleermuismoeder met pup (Bron: Jeroen van der Kooij)

Eén jong per jaar

Hoeveel jongen een diersoort per worp krijgt, heeft alles te maken met de overlevingskansen en levensverwachting van een dier. Zo worden muizen (knaagdieren) meestal nog geen jaar oud, maar krijgen ze binnen dat jaar wel meerdere worpen, met wel tien jongen per worp. Bij vleermuizen (insecteneters) gaat dat heel anders: een vleermuis krijgt één jong per jaar en wordt gemiddeld wel een jaar of tien. Een Brandts vleermuis is met 41 jaar de oudste bekende vleermuis! Bij soorten die jaarlijks over grote afstanden migreren, zoals ruige dwergvleermuizen en rosse vleermuizen, komen vaak ook tweelingen voor. Blijkbaar ter compensatie van de gevaarlijke reis. Doordat veel jongen al in hun eerste levensjaar dood gaan, groeien vleermuispopulaties maar erg langzaam.

Voetjes eerst

Jonge gewone grootoorvleermuisJonge gewone grootoorvleermuis (Bron: Tricia Scott)De meeste vleermuizen worden geboren tussen begin juni en half juli. Wanneer de weeën beginnen, zondert een vrouwtje zich meestal even van de rest van de kraamgroep af. Om de geboorte makkelijker te maken kan ze even recht gaan hangen (dus niet ondersteboven) zodat ze het jong in haar staartvlieghuid kan opvangen. Onze vleermuizen worden gewoonlijk in stuitligging geboren, waarbij het jong zodra de vliezen breken met de poten in de vacht van de moeder grijpt. De jongen worden kaal geboren en direct door hun moeder schoongelikt. Al snel gaat het jong op zoek naar de tepel en begint het te drinken. Op de website van Stichting De Laatvlieger is in fimpjes te zien hoe vleermuismoeders voor hun jong zorgen.

Te warm is ook niet goed

Jonge rosse vleermuis krijgt melk in vleermuizenopvangJonge rosse vleermuis krijgt melk in vleermuizenopvang (Bron: Mariska Nieuwenhuijsen)Als de moeders ’s avonds gaan jagen blijven de jongen achter in een soort van crèche. Wanneer de kolonie verhuist of een moeder het jong toch meeneemt tijdens het jagen, bijt het jong zich vast aan de tepel. Dat gaat echter niet altijd goed: in juni en juli worden vaak vleermuispups gevonden en staan de vrijwilligers van de vleermuizenopvang voor een uitdaging: zo snel mogelijk de bijbehorende kraamkolonie opsporen, en als dat niet lukt het jong met 'de fles' groot proberen te krijgen.

Vooral bij extreem warm weer, wanneer veel kraamverblijfplaatsen te warm worden en de dieren wel moeten verhuizen, worden er veel 'verloren' jonge vleermuizen gevonden. Waarschijnlijk door de hitte te zwak om met moeder mee te gaan.

 

Eerst proefvlucht buiten

Jonge vleermuizen groeien ontzettend snel. Vaak zijn ze na een week na hun naakte geboorte al helemaal behaard. Binnen drie à vier weken zijn ze nog maar moeilijk van hun ouders te onderscheiden. Hun vacht is nog wel een tijd anders dan van de moeder, vaak donkerder of grijzer. 
Gewone grootoorvleermuis met bijna volgroeid jongGewone grootoorvleermuis met bijna volgroeid jong (Bron: Erik Korsten)In juli zijn vaak de eerste voorzichtige proefvluchten van jonge vleermuizen te zien. Soms solo, als de volwassen dieren jagen, soms in het gezelschap van hun moeder. Deze proefvluchten zijn herkenbaar aan de snelle vleugelslag en dwarrelende vlucht van de vleermuis, en een vaak onhandige landing. In deze periode horen vleermuisonderzoekers vaak ook sociale geluidjes van jongen die vanuit de kraamverblijfplaats of tijdens hun eerste vlucht misschien wel om hun moeder roepen.

Dus als je komende week ’s avonds een vleermuis ziet vliegen… trakteer jezelf dan de volgende dag op beschuit met muisjes. Misschien was het wel een kersverse moedervleermuis of een vleermuispup op zijn eerst vlucht.

Mocht je zo'n vleermuispup zonder moeder vinden, kijk dan op de website Vleermuis.net voor de hulp van een vleermuisdeskundige bij jou in de buurt of het adres van een Vleermuisopvang. Laat de vleermuis met rust en volg het advies op van de vleermuisdeskundige. Raap een vleermuis in geen geval met blote handen op.

Sociale geluiden van jonge gewone dwergvleermuizen (Bron: Erik Korsten)

Filmpje sociale geluiden (Klik op link)

Tekst: Erik Korsten, Zoogdiervereniging
Foto's: Jeroen van der Kooij, Vleermuisopvang Noorwegen (leadfoto: Noordse vleermuispup (links) en zwangere vleermuis); Erik Korsten; Tricia Scott; Mariska Nieuwenhuijsen
Film: Erik Korsten, Zoogdiervereniging

Nachtelijk onderzoek in een bos heeft altijd iets mysterieus. Gewapend met een batdetector en een warmtebeeldcamera kent het bos ’s avonds opeens een stuk minder geheimen. We zien een konijn rond hupsen en kijkend door de lens licht een muis op in de struiken, die denkt voor ons verscholen te zijn. Uit de batdetector klinken ruisgeluiden, veroorzaakt door onze voetstappen op de bladeren. De schemer zet zich voort. En dan ineens is daar het geluid waar we op wachten: de eerste vleermuis zoeft over ons hoofd door de bomenlaan.

Oude beuken zijn erg in trek bij boombewonende vleermuizen
Oude beuken zijn erg in trek bij boombewonende vleermuizen (bron: Vita Hommersen).

Maar waar komt hij vandaan? Het ging zó snel, de juiste plek vinden is nog een hele kunst. We zijn op zoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Boombewonende vleermuizen om precies te zijn. Om meer te weten te komen van de vleermuizen en bossen rond onze woonplaats. Maar vooral omdat het gaaf is om te doen. In het bos leven weer hele andere vleermuizen dan in de woningen van onze steden of dorpen. De watervleermuis bijvoorbeeld, die in de zomer verblijft in spleten en holtes van bomen. Of de franjestaart, die je –als je geluk hebt- behendig kunt zien jagen tussen de besloten boomkronen. Of de rosse vleermuis, een grote vleermuis die in Nederland het hele jaar door in bomen verblijft, zelfs als hij diep in winterrust is.

Geratel en sociale geluiden

We nemen jullie nog even mee naar de avond in het bos. Nadat de eerste vleermuis uit het zicht is verdwenen duikt er nog een vleermuis op, en daarna nog meer. Even later worden we omgeven door haast een “explosie” van sociale geluidjes, overvliegende vleermuizen en een hoop geratel uit de batdetectors. Rosse vleermuizen! Wat een luidruchtige dieren zijn dat toch. Zelfs met het blote oor zijn hun sociale geluiden niet te missen. Qua verblijfplaats(en) zitten we die avond heel warm, al blijken we meer bezoeken nodig te hebben om onze zoektocht te kunnen voltooien.

Zwermen(de) vleermuizen

Nadat we op ons gemak teruglopen naar de fiets, komt een andere bossoort ons tegemoet. Een watervleermuis is op insecten aan het jagen tussen de bomen. We verspreiden ons iets en horen nu meerdere exemplaren. Zou hier dan ook een verblijfplaats in de buurt zijn? Na even speuren is het raak! We vinden een boom met een holte, die met de warmtebeeldcamera net even wat meer warmte uitstraalt dan de boom zelf. Tegen middernacht begint hier een watervleermuis rond de boom te vliegen en de holte aan te tikken. Dit gedrag noemen we ook wel zwermen. Even later vliegt hij, hup,  de boomholte binnen. En dan volgen er verschillende andere watervleermuizen. Wat een prachtig gezicht!

Filmpje zwermende watervleermuizen
Zwermende watervleermuizen bij een boom op de Grebbenberg (Bron: Wiegert Steen).

Een streep is nog geen kolonie

Onder de holte is een bruine streep zichtbaar. Een soort bruinige smurrie loopt helemaal van de holte tot aan de grond. Deze strepen onder spechtengaten zijn verraderlijk. Meestal is het gewoon water, soms zit er ook urine en poepjes van vleermuizen bij. Zo’n streep wijst lang niet altijd op een verblijfplaatsen van vleermuizen. Bij de meeste bomen met kolonies die we kennen ontbreekt zo’n streep volledig. En bomen met strepen die er “verdacht” uitzagen, hadden vaak op dat moment geen kolonie.

Vochtstrepen onder spechtengaten (Bron: Vita Hommersen & Wiegert Steen)
Vochtstrepen onder spechtengaten (Bron: Vita Hommersen & Wiegert Steen)

Maar deze boom is wel bewoond. En wat blijft het een mooi gezicht, die watervleermuizen die de beschutting van hun verblijfplaats opzoeken. Op de warmtebeeldcamera lijken het haast dansende lichtbolletjes die één voor één in een gat verdwijnen. Voldaan lopen we na middernacht terug naar de fietsen,  met op de achtergrond het schelle geroep van jonge bosuilen.

Filmpje uitvliegende watervleermuizen
Archiefbeelden van uitvliegende watervleermuizen (Bron: Erik Korsten).

Zoek de vleermuizen op!

We hopen dat we je met dit bericht wat sfeer kunnen meegeven van een nachtelijke vleermuiswandeling en misschien wel kunnen enthousiasmeren om dit eens zelf te doen. Als je een klein beetje ervaring hebt met een vleermuisdetector zou je ook eens in of rond je woonplaats op zoek te gaan naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen. Heb je geen detector en/of geen ervaring dan zou je eens kunnen deelnemen aan een vleermuiswandelingen of excursies van een regionale of provinciale vleermuiswerkgroep. Een plezierige, sfeervolle avond is gegarandeerd. En als je de waargenomen vleermuizen invoert op Waarneming.nl of Telmee.nl help je er de vleermuizen ook nog mee.  Hoe beter we weten waar de verblijfplaatsen zijn, hoe beter we ze kunnen beschermen. Check wel van tevoren of het wel is toegestaan om ’s avonds in het bosgebied te komen. Vaak is daarvoor toestemming van de beheerder nodig.

Waar vind je vleermuiswerkgroepen of zoogdierwerkgroep die ook wat aan vleermuizen doen:

Tekst: Vita Hommersen & Erik Korsten
Foto’s: Vita Hommersen & Wiegert Steen
Video zwermende vleermuizen: Wiegert Steen
Video uitvliegende watervleermuizen: Erik Korsten

Samenwerken om de positie van vleermuizen te verbeteren. Hieraan werkten de Zoogdiervereniging, gemeentes, waterschappen en de provincie Limburg. Centraal hierbij stond de migratie van vleermuizen. In opdracht van de provincie Limburg, Rijkswaterstaat, Waterschap Peel en Maasvallel en Waterschap Roer en Overmaas werkte de Zoogdiervereniging aan het project “van Mook tot Maastricht”. Dit project richt zich op de knelpunten en kansen voor migratieroutes van vleermuizen in Limburg, waarbij specifiek wordt gekeken naar de Maas en het Julianakanaal: de lijnvormige waterelementen die voor de migratie van vleermuizen zo belangrijk zijn.

Het landschap tussen Noord en Zuid Limburg, en dan met name het landschap van de waterwegen, vormen de coherentie tussen de in noordwest en midden Nederland voor vleermuizen belangrijke gebieden en de in Zuid Limburg gelegen groeves (in beide delen van Nederland gaat het ook om Natura 2000-gebieden). Het integrale landschap omvat het water en de oevers, de uiterwaarden en de randen van het winterbed en steilranden. Verschillende vleermuissoorten gebruiken verschillende delen van dit landschap (meer open/meer kleinschalig) als migratiestructuur.


Julianakanaal. Op deze foto is goed te zien dat de bomen in de bocht van het Julianakanaal zijn verwijderd. Aan beide kanten van het kanaal staan lantaarnpalen. Met name de combinatie van de onderbreking van groenstructuren en kunstmatige verlichting vormt een knelpunt voor vleermuizen.

Tijdens het project zijn deze knelpunten en kansen samen met verschillende stakeholders in kaart gebracht en samen werden oplossingen gezocht. Het rapport geeft aan hoe, in dit landschap, kan worden omgegaan met ruimtelijke ontwikkeling en beheer zodat de functie van vleermuismigratie niet in de knel komt. Tevens werd bepaald hoe deze informatie doelmatig te borgen is binnen de werkwijzen van de organisaties van de stakeholders. Doelstelling is te komen tot het werken met een integrale gebiedsgerichte landschappelijke aanpak met betrekking tot de migratiefunctie van het landschap voor vleermuizen.

De analyse van knelpunten kansen richtte zich met name op de soorten meervleermuis, ingekorven vleermuis en vale vleermuis (allen soorten van bijlage II en IV van de habitat richtlijn). De analyse is in verschillende stappen opgebouwd:
1) Bureaustudie
2) Veldbezoek met stakeholders
3) Workshop I: Knelpunten, oplossingen en kansen
4) Workshop II: Borging
5) Feedback


Jachthaven van Hanssum. De lantaarnpalen naast het water vormen een knelpunt voor vleermuizen.

Tijdens de bureau studie is op basis van luchtfoto’s en satellietbeelden een inschatting gemaakt van de knelpunten en kansen. De inschatting is door middel steekproefsgewijs veldbezoek verder aangescherpt. Resultaten zijn op kaart vastgelegd (KML en GIS). Dit vormt de basiskaart. Vervolgens zijn relevante en anno 2017 bekende ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied achterhaald op basis van door stakeholders (opdrachtgevers en gemeentes) aangereikte informatie. De beoordeling van de kansen en knelpunten is vervolgens op basis van de ruimtelijke ontwikkelingen op punten aangepast.
Uiteindelijke leidde dat tot de volgende categorieën:

  • doorlatendheid: goed, neutraal of slecht en noodzaak of kans tot verbetering
  • verlichting: slecht en noodzaak of kans verbetering

De resultaten van de beoordeling is op kaart weergegeven (KML en GIS).


Groepsfoto in Geulle aan de Maas.

Naast kennisuitwisseling, heeft het veldbezoek met stakeholders geleid tot kleine aanpassingen in de beoordelingskaart. Tijdens de daaropvolgende workshop zijn verschillende maatregelen om knelpunten op te lossen en kansen te benutten besproken en inzichtelijk gemaakt.
Uit de eerste workshop volgden enkel belangrijke conclusies. Knelpunten worden vaak veroorzaakt door een opeenstapeling van negatieve effecten. Oplossingen zijn vaak relatief eenvoudig en kosten niet veel geld. Vooruit denken en tijdig rekening houden met de migratiefunctie van het landschap werkt kostenbesparend en vergemakkelijkt het om functie van het landschap te behouden. Omleidingen voor vleermuizen kunnen een effectieve oplossing vormen, zeker bij moeilijk of kostbaar op te lossen grote knelpunten. Eenvoudige toegang tot eenduidige informatie omtrent de potentiële migratiefunctie van het landschap en de kansen dan wel knelpunten is van groot belang. Ook wordt daarmee de samen werking tussen de verschillende gebiedspartijen gunstig beïnvloedt. Het gepresenteerde kaartmateriaal is daarvoor geschikt.

Mede als resultaat van de tweede workshop m.b.t. de borging van de uitkomsten en doelstelling, zijn in een serie tabellen de kern van het project, inhoudelijke informatie, procesafspraken, beschrijving potentiële maatregelen, het vastleggen van de 0-situatie en daaruit volgende opdracht (kwaliteit behouden en verbeteren) en realiseren van toepasbare kaartbeelden als borgende maatregelen benoemd. Van even groot belang zijn het juridisch en beleidsmatig toepassingsgebied, van Wnb tot actieve bescherming en omgevings- en bestemmingsplan, en de verschillende elkaar aanvullende rollen, van proces- en controleverantwoordelijkheid tot de te nemen acties van de van de belanghebbenden.
Kern van de gezamenlijk ontwikkelde aanpak is het samenwerken van de verschillende belanghebbenden in het gebied (Provincie, Waterschap, RWS, gemeentes), over hun juridische en praktische grenzen heen. Versterkende of compenserende maatregelen in het gebied van de ene belanghebbende, kunnen zo de ontwikkeling in het gebied van de ander mogelijk maken. Door bovendien versterkende maatregelen te nemen op het moment dat kansen zich voor doen (werk met werk maken), kunnen de kosten lager en het planologische proces eenvoudiger zijn. Tevens kan zo vooruit worden gewerkt, zodat versterking van de migratiefunctie al wordt gerealiseerd voordat een ontwikkeling wellicht een negatieve invloed op de migratiestructuren heeft.  


Geleenbeek. Voorbeeld van een meanderende beek met voldoende begeleidende groenstructuren voor vleermuizen.

Belangrijk resultaat, voor organisaties die in het landschap van Maas en Julianakanaal werken, zijn de GIS-kaarten van structuren en hun inschatting naar categorie. Deze GIS-kaarten zouden beschikbaar gemaakt kunnen worden op zowel organisatie interne viewers ter voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen als op meer openbare vieuwers zoals het GEO-loket van de provincie. Deze informatie is bovendien beschikbaar als KML, benaderbaar via deze link (je kunt de verschillende lagen van de kaart aan- en uitzetten, standaard staan de lagen uitgevinkt). Dat maakt het mogelijk om via bijvoorbeeld My Maps de informatie direct in het veld te raadplegen. Het kaart materiaal is op aanvraag ook in Esri GIS vorm beschikbaar.

Projectleider

Marcel Schillemans
mobiel: 06 44563665 
e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

In kaders in de rapportage worden ook de essentie van maatregelen die genomen kunnen worden toegelicht. Het rapport is te hier te downloaden.

De laatvlieger (Eptesicus serotinus) is een voor Nederlandse begrippen grote- en goed zichtbare vleermuis. Maar dat wil niet zeggen dat hij zijn verblijfplaatsen gemakkelijk prijs geeft. Sterker nog het is erg lastig om voor deze soort de verblijfplaatsen te vinden.

Dat bleek ook al tijdens een groot onderzoek in Utrecht naar de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Er werd toen samen met vrijwilligers (BAT030) uitgebreid gezocht naar verblijfplaatsen, maar die van de laatvlieger lieten zich niet vinden. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat laatvliegers niet ’s ochtends invliegen (zoals de gewone dwergvleermuis) maar al eerder in de nacht naar hun verblijfplaatsen terugvliegen.

Dit was reden voor de gemeente Utrecht om samen met de Zoogdiervereniging en mede gefinancierd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, een project naar verblijfplaatsen van laatvliegers op te zetten.

Vrijwilligers hebben laatvliegers op vliegroute uit de verblijfplaatsen opgepikt en zijn vanuit daar de verblijfplaatsen gaan zoeken.


Figuur 1: Vrijwilligers leren van een medewerker van de Zoogdiervereniging (Eric Jansen) hoe een laatvlieger klinkt.

Om niet willekeuring te starten met inventarisaties worden vooraf locaties bepaald om daar vanuit te starten met inventarisaties: de ‘hotspots’. Daarvoor is eerst een analyse uitgevoerd op de bestaande data. Uitgaande van het moment van waarnemen, en  een aantal mogelijke vliegsnelheden en uitvliegmomenten ten opzichte van zonsondergang, is bepaald uit welk gebied de dieren kunnen zijn gekomen. Vervolgens is daar een  kaart onder gelegd met jachtgebieden (op basis van expertjudgement) van vroeger en nu. Samen resulteerde dat in ‘hotspots’: gebieden waar ergens een verblijf zou kunnen voorkomen.


Figuur 2: Locaties waar verblijven van laatvliegers zouden kunnen voorkomen, volgens de analyse. Daar waar de gebieden elkaar overlappen is de kans het grootst dat er een verblijfplaats is: de ‘hotspots’.

Op deze ‘hotspots’ is vervolgens gepost door de vrijwilligers. De deelnemers zijn vooraf kort getraind op het herkennen van laatvliegers op geluid en zicht.


Figuur 3: Op pad. Op zoek naar laatvliegers.


Figuur 4: De hotspots (in rood).

De eerste trainingsavond resulteerde gelijk in een aantal laatvliegers die zich goed lieten zien en horen in het Wilhelminapark in Utrecht-Oost.  Dor rondom het park te gaan posten werd duidelijk waarvandaan de dieren kwamen. Vervolgens is de volgende avond een stukje in die richting weer gepost en zo verder. Zo is uiteindelijk op vier hotspots onderzocht of en waar een verblijfplaats kon voorkomen.

Bij één hotspot is de locatie tot op drie huizen bepaald en bij een andere hotspot tot op straatniveau bepaald. Dit project is een voorbeeld van een samenwerking tussen bureauanalyse en vrijwilligerswerk (waarbij de vrijwilligers opgeleid worden) waardoor een wens van de gemeente kan worden ingewilligd en een diersoort weer beter beschermd kan worden. Oftewel de kracht van samenwerken.

   

Projectleider

Marcel Schillemans
mobiel: 06 44563665 
e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Afgelopen weekend ging het seizoen voor de Zoldertellingen van Vleermuizen 2019 van start. Al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw worden overal in Nederland zolders en torens bezocht om te zoeken naar (sporen van) vleermuizen. Sinds 2008 zijn deze tellingen onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).

Trends en verspreiding

Zolders, torens en soms zelfs stallen of oude loodsen vormen voor een aantal vleermuissoorten, zoals laatvlieger, grootoorvleermuizen en ingekorven vleermuis, belangrijke (kraam)verblijfplaatsen. Ook andere soorten vleermuizen maken regelmatig gebruik van dergelijke ruimten. Bij de zoldertellingen van het NEM ligt in eerste plaats de focus op het bezoeken van de verblijfplaatsen van de ingekorven vleermuis (telseizoen start op 15 juli) en grijze grootoorvleermuis (telseizoen start op 1 augustus). Van deze soorten worden vrijwel de gehele (zomer) populaties geteld. Door dit jaarlijks te herhalen kan voor deze soorten de populatietrend worden bepaald: wordt de populatie groter, kleiner of blijft ze op een gelijk niveau? Voor alle zolders en torens waar ook andere soorten vleermuizen worden aangetroffen, vormen de tellingen een bijdrage in het verspreidingsonderzoek van die vleermuizen. Veranderingen in de verspreiding op zolders en torens geven voor die soorten een aanwijzing voor veranderingen in de populaties, mits er veel zolders en torens herhaaldelijk worden bezocht.

Bezoek

Een bezoek aan een kerkzolder of –toren is een belevenis op zich. Gewapend met zaklamp, hoofdlamp, fotocamera, verrekijker en als nodig handzame determinatieboekjes, betreed je plekken waar normaliter bijna niemand komt.

Eenmaal op de zolder of in de toren speur je naar vleermuizen en hun sporen, met name de kleine keuteltjes. Ook aan de hand van de keuteltjes kunnen een aantal soorten vleermuizen worden onderscheiden. Behalve een kans op het zien van vleermuizen geeft zo’n bezoek vaak ook zicht op wijdse uitzichten en bijzondere bouwkunde. Na de telling worden resultaten via een digitaal portaal doorgegeven aan de Zoogdiervereniging, en vervolgens aan het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS).

Zoldertellingen bieden naast het vinden van vleermuizen ook een blik op bijzondere bouwkunde en vergezichtenZoldertellingen bieden naast het vinden van vleermuizen ook een blik op bijzondere bouwkunde en vergezichten (Bron: Marjolein van Adrichem)

Resultaten

De grijze grootoorvleermuis is in Nederland een zeldzame vleermuis. We vinden haar momenteel in Limburg, Zuidelijk Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen. Dit vormt de noordelijke grens van haar verspreidingsgebied in Nederland.

Verspreiding van de grijze grootoorvleermuis in NederlandVerspreiding van de grijze grootoorvleermuis in Nederland (Bron: Zoogdiervereniging)

De populatietrend over lange termijn is positief, maar de laatste vijf jaar schommelt ze veel. In totaal kennen we 84 objecten waar (ooit) grijze grootoorvleermuizen zijn gevonden. In een deel daarvan wordt ze inmiddels niet meer aangetroffen, en een ander deel wordt niet jaarlijks geteld. Het zou goed zijn als die objecten weer eens bezocht zouden worden.

Trend van de grijze grootoorvleermuis 1996-2017Trend van de grijze grootoorvleermuis 1996-2017 (Bron: Zoogdiervereniging en CBS)

De ingekorven vleermuis is een uiterst zeldzame vleermuis in Nederland. Alleen in een zeer beperkt aantal verblijfplaatsen worden grote groepen dieren geteld. Nadat in 2012 één van die verblijfplaatsen opeens was verlaten, werd een intensieve zoektocht opgezet. Dat leverde een aantal voorheen onbekende verblijfplaatsen op. In het totaal kennen we nu zestien verblijfplaatsen van deze soort; het overgrote deel daarvan wordt jaarlijks bezocht. Omdat het om zo weinig verblijfplaatsen gaat en historische data deels ontbreken, wordt momenteel de standaard trend aangepast en kunnen we hier geen actuele trend weergeven.

Grijze grootoorvleermuizen (links) en ingekorven vleermuis (rechts)Grijze grootoorvleermuizen (links) en ingekorven vleermuis (rechts) (Bron: Bernadette van Noort (links) en Wesley Overman (rechts))

Buiten de in Zuid-Nederland gelegen gebouwen waar grijze grootoorvleermuizen en ingekorven vleermuizen worden geteld, worden in heel Nederland nog veel meer zolders en/of torens bezocht.
Soms worden grote groepen vleermuizen aangetroffen zoals watervleermuizen of meervleermuizen in Noord-Holland en Friesland, of laatvliegers in Gelderland en Limburg. Gewone grootoorvleermuizen worden bijna overal in Nederland wel op zolders of in torens gezien. Meestal vind je sporen van vleermuizen en één tot enkele dieren. Dergelijke waarnemingen zijn een belangrijk onderdeel van het verspreidingsbeeld van die soorten in Nederland.

Doe mee!

Zoldertellingen van vleermuizen zijn leuk, spannend en vooral belangrijk voor het onderzoek en de bescherming van vleermuizen. Voor het meedoen met het meetprogramma NEM Zoldertellingen Vleermuizen is ervaring met vleermuizen niet vereist. Je gaat eerst mee met meer ervaren tellers en leert zo (sporen van) vleermuizen herkennen. Heb je al wel ervaring met het herkennen van (sporen van) vleermuizen dan kun je, na afstemming met de provinciaal coördinator, zelf op pad. In verband met veiligheid ga je in principe altijd met meerdere mensen een zolder op of toren in. 
De Zoogdiervereniging heeft een handig determinatieboekje en -kaart (hier te downloaden).

Wil je mee doen of meer informatie over de zoldertellingen van vleermuizen in Nederland, mail dan Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

In het meetprogramma NEM Zoldertellingen geregisteerde objecten waar geteld wordt, en objecten zonder teller.In het meetprogramma NEM Zoldertellingen geregisteerde objecten waar geteld wordt, en objecten zonder teller. (Bron: Zoogdiervereniging)

Tekst: Marcel Schillemans, Landelijk Coordinator Zoldertellingen, Zoogdiervereniging
Foto's: Marjolein van Adrichem, Wesley Overman en Bernadette van Noort (allen Zoogdiervereniging)
Figuren: Zoogdiervereniging, CBS