• header09.jpg
  • header06.jpg
  • header04.jpg
  • header05.jpg
  • header07.jpg
  • header03.jpg
  • header01.jpg

In de onlangs verschenen update van hun ‘vleermuis-synopsis’ concludeert Conservation Evidence dat voor een overgroot deel van de toegepaste maatregelen ter bescherming van vleermuizen en hun leefgebied onvoldoende bekend is of deze ook daadwerkelijk effectief zijn. Daarbij gaat het over een breed scala aan maatregelen, inclusief de meest bekende en toegepaste maatregel: vleermuiskasten.

 


Vleermuiskasten van links naar rechts: een inbouwkast, een grote kraamkoloniekast en een kleine vleermuiskast (foto's Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Conservation Evidence

Conservation Evidence is een langlopend project waarbij gepubliceerde studies van beschermingsmaatregelen worden verzameld en samengevat: welke maatregelen zijn wel -en welke niet- effectief voor het beschermen van dieren, planten en habitats? Het in Cambridge (Engeland) gevestigde Conservation Evidence maakt deze informatie vrij beschikbaar, zodat natuurbeschermers weloverwogen beslissingen kunnen nemen over welke maatregel(en) ze moeten kiezen. Het is de bedoeling dat dit hulpmiddel continu wordt aangevuld met nieuwe studies, om zo de database van bewezen-effectieve-maatregelen up-to-date te houden. Conservation Evidence gebruikt daarbij alleen kwantitatief onderzoek uit artikelen, rapporten en nog niet gepubliceerde vakliteratuur. Modellen en correlatieve studies worden niet opgenomen. Een samenvatting van de vleermuis-synopsis is vrij beschikbaar op de Conservation Evidence website.

Voor de update zijn 173 gepubliceerde artikelen geanalyseerd. Voor het eerst waren hier ook artikelen in het Spaans en het Portugees bij. Dit voegt aanzienlijk meer informatie toe over de effectiviteit van manieren om vleermuizen te beschermen. De vorige studie naar beschermende maatregelen voor vleermuizen benadrukte de slechte staat van kennis over dergelijke maatregelen: bij 48 van de 79 indertijd beoordeelde maatregelen bleek onderzoek of bewijs van de effectiviteit van de maatregelen te ontbreken. Dankzij nieuw onderzoek die in de afgelopen vijf jaar zijn gepubliceerd, zijn er beoordelingen voor 72 maatregelen in de nieuwe update opgenomen. Voorbeelden daarvan zijn het aanbieden van vleermuiskasten, hop-overs om vleermuizen veilig te laten oversteken, vleermuisvriendelijke verlichting en maatregelen om te voorkomen dat vleermuizen slachtoffer worden van windturbines. Daarnaast hebben vleermuisdeskundigen de lijst met mogelijke acties uitgebreid tot 190.

De uitgebreide bewijzen in de update maken een meer subtiele interpretatie van het bewijsmateriaal mogelijk. De maatregel “vleermuiskasten plaatsen” is bijvoorbeeld gesplitst in "het aanbieden van vleermuiskasten in al bestaand habitat" en "het bij ruimtelijke ingrepen vervangen van bestaande verblijfplaatsen met nieuwe kunstmatige verblijven". Door de geëvalueerde acties steeds specifieker te maken, is het gemakkelijker om precies te begrijpen welke beschermingsacties in welke situatie effectief zijn.


Vleermuiskasten worden in bossen vaak gebruikt door indivuele vleermuizen of kleine groepjes (foto: Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Vleermuiskasten als extra verblijfplaats

Zo concludeert Conservation Evidenced dat het aannemelijk is dat het “aanbieden van vleermuiskasten in al bestaand habitat” een gunstig effect heeft kan hebben vleermuizen. De onderliggende studies voor deze conclusie gaan echter over het aanbieden van vleermuiskasten zonder dat er sprake is van het vervangen van bestaande verblijfplaatsen. Zij maakt bij het aanbieden van vleermuiskasten in al bestaand habitat ook twee belangrijke aantekeningen:

  1. Uit de onderliggende studies wordt weliswaar duidelijk dat vleermuiskasten door vleermuizen gebruikt worden, maar er zijn onvoldoende onderzoeksresultaten beschikbaar over welke modellen het meest geschikt zijn, voor welke soorten vleermuizen, en voor welke functies. Gebruik van vleermuiskasten door kraamgroepen blijft bijvoorbeeld in veel studies onderbelicht.
  2. Er zijn geen studies die ingaan op het effect van het aanbieden van vleermuiskasten op populaties van een soort of leefgemeenschappen van vleermuizen in een bepaalde habitat. Hiervoor zijn studies nodig die over langere tijd het gebruik van vleermuiskasten volgen en studies van vleermuispopulaties in vergelijkbaar habitat met en zonder vleermuiskasten.

Het aanbieden van een vleermuiskast hoeft daarom niet per definitie een positief effect te hebben. In cijfers uitgedrukt wordt de effectiviteit door Conservation Evidence bepaald op 50%, de zekerheid hierover op 45% en de kans op een negatief effect op vleermuizen op 0%.

Vleermuiskasten als vervangende verblijfplaats

Bij de maatregel “het bij ruimtelijke ingrepen vervangen van bestaande verblijfplaatsen met nieuwe kunstmatige verblijven” concludeert Conservation Evidence ook dat het aannemelijk is dat dit een gunstig effect kan hebben op vleermuizen. Hierbij zijn de effectiviteit en de zekerheid beiden met 40% echter lager dan bij vleermuiskasten an sich en het negatief effect op vleermuizen is bepaald op 10%
Onder deze categorie vallen niet alleen vleermuiskasten en inbouwvoorzieningen voor vleermuizen maar ook speciaal voor vleermuizen gebouwde schuren en andere vleermuisgebouwen. Wie in de onderliggende literatuur duikt ziet echter dat er nog erg weinig studies zijn over het effect van vleermuiskasten en inbouwvoorzieningen als vervanging van verblijfplaatsen bij bomenkap of sloop, renovatie en na-isolatie van gebouwen. Ook bij deze maatregel zijn er geen studies beschikbaar over het effect op de (lokale) populaties vleermuizen.

Niet-bewezen-maatregelen bedreigen de gunstige staat van instandhouding

Voor de praktijk van vleermuisbescherming moeten we ons dus afvragen of bij kap, sloop, renovatie en na-isolatie- externe en ingebouwde vleermuiskasten gezien mogen worden als een bewezen effectieve maatregel ter bescherming van vleermuizen en hun verblijfplaatsen. Het is onvoldoende onderzocht om te kunnen spreken over een voldoende onderbouwd bewezen positief effect op populaties en leefgemeenschappen op de korte en lange termijn. Bij zulke projecten worden wel vaak vleermuiskasten en inbouwkasten geplaatst. Daar ligt een grote noodzaak en een mooie kans voor meer en beter onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregelen op (lokale) populaties. Betere kennis van de populatie vóór en ná de ingreep, betere kennis van eisen die vleermuizen aan verblijfplaatsen stellen (succesfactoren) en meer kennis van het korte- en lange termijn gebruik van maatregelen voor vleermuizen is dringend nodig. Toepassing van niet-effectieve bescherminsgmaatregelen leidt op den duur immers tot afbreuk van de gunstige staat van instandhouding van een soort.


Kraamkolonies van vleermuizen (in dit geval gewone dwergvleermuizen) in vleermuiskasten zijn nog weinig gedocumenteerd (foto: Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Hopelijk raken beleidsmakers, ecologisch adviesbureaus en andere vleermuisonderzoekers door de nieuwe synopsis geïnspireerd om deze kennislacunes in te vullen! Er wordt immers ook in Nederland – naar we aannemen - veel meer aan maatregelen gemeten dan er wordt gepubliceerd. Het meten van het effect van de toepassing van vleermuiskasten bij ruimtelijke ingrepen kan bovendien niet los worden gezien van de effecten van veel andere maatregelen om bij kap, sloop, renovatie en na-isolatie vleermuizen te beschermen. Voor maatregelen als het “buitensluiten van vleermuizen voor de ingreep” en het “uitvoeren van de ingreep buiten kwetsbare perioden” waren voor Conservation Evidence geen enkele effectstudies beschikbaar! Het ligt voor de hand dat het meten van het effect van deze maatregelen een voorwaarde is voor het meten van het effect van vleermuiskasten en inbouwvoorzieningen bij ruimtelijke ingrepen.

Monitor, publiceer en deel je kennis!

De Conservation Evidence for bats’ synopsis is samengesteld om wereldwijd het werk van vleermuisbeschermers te ondersteunen. Er worden vanaf nu jaarlijkse updates gepland, zodat het een steeds nuttiger bron van informatie zal worden. Natuurbeschermers worden aangemoedigd om actief bij te dragen, door natuurbeschermingsmaatregelen te testen en daarover te publiceren. Conservation Evidence streeft naar het samenstellen van gratis, open toegankelijke, op de praktijk gerichte informatie. Periodiek verschijnt ook de uitgave over alle soortgroepen: What Works in Conservation.

Gebruik deze hulpbron, deel de synopsis met uw collega's en draag er zelf aan bij, om zo de bescherming van vleermuizen effectiever te maken! Bewezen effectieve maatregelen zijn nodig om ook op de lange duur ruimtelijke ontwikkelingen en natuurbescherming hand in hand te laten gaan.

Tekst: Jasja Dekker (lid begeleidingscommissie Conservation Evidence – bat synopsis) en Erik Korsten (Zoogdiervereniging)
Foto's: Erik Korsten (Zoogdiervereniging)

Met het eerste lenteweekend achter de rug krijgt ook de gewone grootoorvleermuis kriebels in zijn buik. De eerste baltsroepen van deze soort zijn dit jaar alweer gehoord. Met deze geluidjes proberen mannetjesvleermuizen vrouwtjes te lokken, in de hoop te kunnen paren. De gewone grootoorvleermuis twittert er in twee periodes van het jaar lustig op los, zowel in het vroege voorjaar als in het najaar. Bijzonder, want de meeste vleermuissoorten die in Nederland voorkomen kennen maar één duidelijke paarperiode.

Lieve geluidjes

Wie wel eens buiten met een vleermuisdetector rondloopt heeft vast gemerkt dat grootoorvleermuizen moeilijk zijn waar te nemen. Het echolocatiegeluid is namelijk heel zacht, waardoor de vleermuis pas detecteerbaar is op een paar meter afstand. De baltsroep van een grootoorvleermuis is daarentegen een stuk harder. Zelfs met het blote oor kan dit geluid nog worden waargenomen. Het valt namelijk nog net binnen onze gehoorgrens.
Maar hoe klinkt een baltsroep van de gewone grootoorvleermuis eigenlijk? Met het blote oor klinkt het een beetje als een onbeduidend getik. Vertraagd komt dit geluid een stuk meer tot leven. Met bepaalde batdetectors kunnen we vleermuisgeluiden vertragen, waardoor de roepjes beter te onderscheiden en te begrijpen zijn. Dan lijkt de baltsroep van een grootoorvleermuis opeens wel wat op een roepje van een vogel... PJOE PJOE PJOE.
Deze mysterieuze baltsgeluiden worden vooral door de mannetjesvleermuizen gemaakt. Hun doel is om zo veel mogelijk vrouwtjes voor zich te winnen. Met lieve geluidjes proberen ze de vrouwtjes naar zich toe te lokken in de hoop te kunnen paren. Voorbijvliegende mannetjesvleermuizen worden met hard geroep juist weggejaagd.

Filmpje met geluiden van de grootoorvleermuis (klik op de link)

Paren in najaar en voorjaar

Grootoorvleermuizen paren zowel in het vroege voorjaar als in het najaar. Dat is bijzonder, omdat de andere in Nederland voorkomende vleermuissoorten alleen in de nazomer of najaar één duidelijke paarperiode kennen. De meeste vleermuizen van het geslacht Myotis – zoals bijvoorbeeld watervleermuizen en baardvleermuizen -  paren in het najaar tijdens het verkennen van de winterverblijven en soms ook in de winter. Rosse vleermuizen paren in de nazomer. De tweekleurige vleermuis paart in het late najaar, meestal pas na oktober. Ook gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen paren - tot zover we weten - alleen in de nazomer, al roept het fanatiek geroep van dwergvleermuizen in april wel vaak de vraag op waarom ze dat eigenlijk doen. Zijn er dwergvleermuizen die in april toch nog paringsbereid zijn? 

Twee keer paren, één keer kramen

Dat de paartijd van de meeste Nederlandse vleermuissoorten in de nazomer of najaar valt wil niet zeggen dat deze vleermuizen vanaf de nazomer of najaar zwanger zijn. Vrouwtjes slaan namelijk na de paring het sperma van het mannetje op in de eileider en houden het daar tot na de winterslaap in leven. Pas als een vrouwtje na de winter weer voldoende vetreserves heeft opgebouwd vindt de bevruchting plaats. De jongen worden meestal geboren in de periode van ongeveer 20 mei tot en met 1 juli. 
De gewone grootoorvleermuis krijgt met zijn twee paarperioden per jaar overigens niet twee keer per jaar een jong. Net als bij de andere vleermuizen in Nederland krijgt een grootoorvrouwtje één jong, dat in de kraamtijd in juni wordt geboren.


Paargroep van gewone grootoorvleermuizen op een zolder. (Foto: Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Van levensbelang

Dat gewone grootoren energie in twee paarperioden steken heeft alles te maken met de samenstelling van kraamkolonies en lokale populaties van deze soort. De kraamkolonies bestaan uit volwassen vrouwtjes, volwassen mannetjes en natuurlijk de dat jaar geboren jonkies (meisjes en jongens). Soms vormen mannetjes ook een eigen groep vlakbij de kraamkolonie. Vrijwel alle dieren die in die kraamkolonie zijn geboren blijven in de lokale populatie en zwerven niet naar andere populaties. Om inteelt te voorkomen paren vrouwtjes uit zo'n kolonie of populatie alleen met mannetjes uit andere lokale populaties. Die zoeken ze in najaar en voorjaar op in de buurt van winterverblijfplaatsen en andere plaatsen waar veel gewone grootoorvleermuizen verblijven. Daarna keren ze weer terug naar hun eigen populatie. Deze baltslocaties zijn dus van levensbelang voor de genetische diversiteit van hele populaties grootoorvleermuizen! 

Met deze kennis op zak komt het bos op de eerste mooie lente-avonden misschien nog net iets meer tot leven. Mocht je de komende weken opeens een onbekend geluidje horen dat klinkt als het geluid hierboven, dan weet je nu wat voor liefdesrituelen van de grootoorvleermuis zich hier afspelen.  

Tekst: Vita Hommersen en Erik Korsten (Zoogdiervereniging)
Foto's en video: Erik Korsten
Geluiden in de video: Erik Korsten en Peter Twisk

De in 2000 ingevoerde Europese Kaderrichtlijn Water heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. In aanloop op de volgende evaluatie van deze richtlijn zijn er steeds meer landen en bedrijven die actief proberen deze 'waterwet' te ondermijnen. Dit is een serieuze bedreiging voor mens, plant en dier, waaronder vleermuizen.

De Europese Kaderrichtlijn water richt zich niet alleen op de chemische kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater (en indirect ons drinkwater), maar ook op de ecologische kwaliteit van waterhabitat voor van water afhankelijk soorten. Dat zijn niet alleen de planten en dieren die ín het water leven, maar ook dieren die voor hun voedsel en drinkwater afhankelijk zijn van waterrijke gebieden. Dat geldt ook voor vleermuizen. Veel vleermuizen jagen op van water afhankelijke insecten. Belangrijke verblijfplaatsen en leefgebieden van vleermuizen hebben meestal dan ook een sterke relatie met nabij aanwezige waterpartijen. Een aantal voorbeelden:

Gespecialiseerd in jagen op het water

Watervleermuis pakt prooiWatervleermuis pakt prooi (Bron: Theo Douma)Watervleermuizen, meervleermuizen en de in Zuid-Europa voorkomende Capacinni’s vleermuizen zijn gespecialiseerd in het jagen op insecten die op- of vlak onder het wateroppervlak leven. Met hun gevoelige echolocatie detecteren ze zelfs muggenlarven die één millimeter boven het wateroppervlak uitsteken en scheppen deze met hun grote poten uit water. Dit gaat het beste bij een open en relatief glad wateroppervlak. Een toenemende begroeiing van het wateroppervlak (zoals vaak door exotische waterplanten of als gevolg van vermesting) belemmert deze vleermuizen in hun jacht. Ook zijn ze afhankelijk van de windluwe zones die ontstaan door natuurlijke oeverbegroeiing.

Voorkeur voor waterrijk habitat

Veel soorten vleermuizen hebben in hun jachtgebied een sterke voorkeur voor waterrijke habitats. Wie een vleermuisexcursie organiseert, weet dat je bij het water de meeste kans hebt om het publiek vleermuizen te laten zien en horen. Dit geldt niet alleen voor de bovengenoemde water- en meervleermuizen, maar ook voor soorten als ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart en rosse vleermuis. Ze hebben een eigen niche waarin ze zich onderscheiden van andere soorten die op soortgelijke insecten foerageren. Zo jagen gewone dwergvleermuizen grotendeels op dezelfde insecten als ruige dwergvleermuizen, maar zijn ze iets minder aan waterrijk habitat gebonden.

Kraamkolonies kunnen niet zonder water

De locaties van kraamverblijfplaatsen van veel soorten vleermuizen hebben een sterke relatie met nabij gelegen waterrijke gebieden als jachtgebied en drinkplaats. Niet alleen hebben kraamgroepen (vrouwtjes met jongen) een hogere voedselbehoefte, ook verbruiken ze meer water. Voor een snelle ontwikkeling van hun jongen kiezen vleermuizen vaak relatief warme kraamverblijfplaatsen. Hierdoor, en door het zogen, hebben zogende vrouwtjes een veel grotere waterbehoefte dan niet-zogende dieren. In diverse onderzoeken is er een directe relatie aangetoond tussen de beschikbaarheid van drinklocaties voor zogende vrouwtjes en de overlevingskansen van juveniele vleermuizen.

Vijvers kunnen van levensbelang zijn voor vleermuizen, hier dwergvleermuisVijvers kunnen van levensbelang zijn voor vleermuizen, hier dwergvleermuis (Bron: René Janssen)

Het belang van kunstmatige en beheerde waterbronnen

In gebieden waar water schaars is, blijken tijdelijke en vooral permanente waterpartijen van essentieel belang te zijn voor de overlevingskansen van lokale vleermuispopulaties. Wanneer bij aanhoudende droogte, zoals afgelopen zomer ook in Nederland, poelen, vijvers, beken en vennen droogvallen kan dit directe gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van drinkwater. Ook heeft het langdurige gevolgen voor de voedselvoorziening. Na het droogvallen van een poel kan het jaren duren voor aantallen en diversiteit van waterinsecten, en daarmee voedselaanbod voor vleermuizen, weer op peil zijn. In dergelijke perioden zijn vleermuizen vaak afhankelijk van door mensen beheerde kunstmatige waterpartijen zoals tuin- en parkvijvers, blusvijvers en zwembaden. In urbane gebieden kunnen dergelijke kunstmatige vijvers zelfs de belangrijkste drinkplaatsen voor vleermuizen zijn. 
Overigens is niet iedere vijver voor iedere vleermuis een geschikte drinkplaats. Omdat vleermuizen al vliegend water van het oppervlak drinken, moet er bij de vijver voldoende vliegruimte zijn. Wendbare grootoorvleermuizen kunnen nog prima uit een kleine beschutte vijver drinken, terwijl de snel vliegende en minder wendbare rosse vleermuizen en laatvliegers dat alleen kunnen uit een grotere waterpartij met weinig hoge oeverbegroeiing.
Naast verdroging kan ook een verandering in waterbeheer grote gevolgen hebben voor vleermuispopulaties. Zo kan het weer toelaten van zout water in het Hollands Diep en het Volkerak Zoommeer negatieve gevolgen hebben voor foerageer- en/of drinklocaties van grote populaties vleermuizen.

Een vleermuis drinkt uit een kleine tuinvijver (Bron: Peter Frigge)

Vervuild water, een sluipmoordenaar voor vleermuizen

De vervuiling van oppervlaktewater kan de overlevingskansen en voorplanting van vleermuizen sterk beïnvloeden. Bronnen van vervuiling van oppervlaktewater zijn bijvoorbeeld (nood-)lozingen van rioolwaterzuivering, uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen in de landbouw, resten van medicijnen, reststoffen van industrie (zware metalen) en uitspoeling van snelwegen. Wanneer oppervlaktewater door vervuiling voedselrijker wordt, leidt dit vaak tot een groter aanbod van dansmuggen en een toename van het aantal foeragerende vleermuizen. Deze vleermuizen krijgen via deze insecten echter ook meer gifstoffen binnen dan in hun natuurlijke, onaangetaste habitat. Zo kunnen de bezinkbakken en filterbasins van waterzuiveringen een grote aantrekkingskracht hebben op vleermuizen, maar ook een risico voor hen vormen. Ook vervuild slib (met PCB’s en zware metalen) en bestrijdingsmiddelen uit de landbouw komen via insecten en gedronken water in vleermuizen terecht. Bij te hoge concentraties heeft dit gevolgen voor de voortplanting en overlevingskansen van vleermuizen.

Iedere vleermuis is een ‘watervleermuis'

Het zal duidelijk zijn dat je gerust mag stellen dat iedere vleermuis een ‘water’-vleermuis is. Alle vleermuizen hebben schoon water nodig: voor drinken en voor voedsel.

De Kaderrichtlijn Water moet juist beter worden, en niet zwakker! Help ons dat geluid te laten horen!

De Europese wateren en alle dieren die daar afhankelijk van zijn, hebben uw en onze steun hard nodig. Er zijn veel landen en bedrijven die actief proberen de regels af te zwakken. Daarom houdt de Europese Unie een raadpleging, een publieksconsultatie, om te meten hoe de Europeanen tegen de regels aankijken. De Zoogdiervereniging sluit zich van harte aan bij andere natuurbeschermende organisaties als Vogelbescherming NederlandVlinderstichting en RAVON die opkomen voor een goede invulling van, en toezicht op de Kaderrichtlijn Water.

Wilt u ons helpen om dat geluid te laten horen? Laat dan de EU uw geluid horen via de #protectwater-petitie van het Wereld Natuur Fonds en draag bij aan het behoud van de Kaderrichtlijn Water!

Tekst: Erik Korsten en Herman Limpens, Zoogdiervereniging
Foto’s: Theo Douma; René Janssen
Video: Peter Frigge, Kikkercam, Ravon 

Vleermuisdeskundige Wiegert Steen van de Vleermuiswerkgroep Wageningen bekeek het filmpje en zag dat het om een grootoorvleermuis gaat. Voor de vraag over hoe vaak vleermuizen ten prooi vallen aan roofvogels dook hij in de literatuur.

Bosuil verschalkt grootoorvleermuis (Klik op link) 

  Geen vleermuisspecialisten

Er zijn in Nederland geen roofvogels gespecialiseerd in het jagen op vleermuizen. Dat wil niet zeggen dat roofvogels nooit een vleermuis zullen vangen, maar slechts een uiterst klein deel van hun voedsel bestaat uit vleermuizen. Uit een onderzoek voor de Britse Eilanden uit de jaren 90 blijkt dat het voedsel van dagactieve roofvogels voor slechts 0,0034% uit vleermuizen bestaat en voor de nachtactieve uilen voor 0,035%. Opgeteld waren dat echter wel 200.000 vleermuizen per jaar en blijkt dat ongeveer 10% van de sterfte per jaar onder vleermuizen wordt veroorzaakt door roofvogels en uilen.

Gewone grootoorvleermuisGewone grootoorvleermuis (Bron: Erik Korsten)

Ook zangvogels eten (heel!) soms een vleermuis

Onder dagactieve roofvogels zijn in Nederland waarnemingen bekend van vangsten van vleermuizen door sperwer, slechtvalk, boomvalk, torenvalk en buizerd. Maar ook bij niet-roofvogels als zilvermeeuw, kokmeeuw, ekster en zelfs bij spreeuw, merel en wilde eend is waargenomen dat zij een vleermuis verschalkten. Mogelijk is het grote aantal dagactieve roofvogels een drijvende kracht achter de evolutie van vleermuizen tot nachtdieren.

Bosuil pakt ieder jaar een vleermuis

Slapende bosuilSlapende bosuil (Bron: Erik Korsten)Ondanks het grote aantal dagactieve roofvogels worden de meeste vleermuizen gevangen door uilen. Uilen hebben net als vleermuizen een nachtelijke leefwijze en staan daardoor voor ongeveer 90% garant voor de gevangen vleermuizen onder roofvogels. De bosuil is op de Britse Eilanden met een aandeel van 84% wel het meest de 'vleermuisvanger' onder de uilen. Toch eet een gemiddelde bosuil maar zelden een vleermuis. Uilen zijn opportunistische jagers en het is voor hen veel gemakkelijker om een muis te vangen dan een behendige vleermuis in vlucht. Omgerekend gaat het om 1 vleermuis per 9 maanden (1,1 vleermuis per jaar) voor een bosuil en 1 vleermuis per 13 maanden voor een kerkuil (0,9 vleermuis per jaar). Bij de dagactieve roofvogels komt het helemaal zelden voor… Slechts 1 vleermuis per 20 en 26 jaar voor respectievelijk een torenvalk en een boomvalk.

Vleermuizen op een presenteerblaadje

In zekere zin is bijna elke dood van een vleermuis door een roofvogel ‘een incidentele dood’. Dat het ook nog eens op camera is vastgelegd is echt super-toevallig! Alleen in gevallen waarbij een roofvogel makkelijk bij een kolonie vleermuizen kan komen, en ze als het ware op een presenteerblaadje worden aangeboden, zijn hogere aantallen vleermuizen als prooi waargenomen. Zo liep in Polen bij een grot met een winterverblijfplaats van vleermuizen het percentage vleermuizen in de prooidieren van een paar bosuilen in twintig jaar op van 22% tot 37%. Van kerkuilen zijn soortgelijke opportune gevallen bekend. In Nederland is ook een waarneming bekend van prooiresten van vier laatvliegers in een nest van een boomvalk. Maar dat lijken toch echt bijzondere gevallen.

Meer informatie

Tekst: Wiegert Steen, Vleermuiswerkgroep Wageningen en Erik Korsten, Zoogdiervereniging
Foto's: Beleef de Lente, Vogelbescherming Nederland; Erik Korsten
Film: Beleef de Lente, Vogelbescherming Nederland

 Jaarlijks wordt in ons land veel onderzoek gedaan naar de effecten van een voorgenomen activiteit of project op beschermde vleermuizen. In zo'n effectbeoordeling wordt ook gekeken naar de mogelijke verstoring door niet-natuurlijke geluiden, zoals van verkeer, industrie of een muziekfestival. Maar in hoeverre horen vleermuizen eigenlijk dezelfde geluiden als wij, mensen?

In de regel wordt er bij geluidseffect-studies van uitgegaan dat de in Nederland voorkomende soorten vleermuizen gevoelig zijn voor omgevingsgeluid, omdat ze zich middels echolocatie (dus op het gehoor) oriënteren en insecten bejagen. Voor sommige soorten, zoals de gewone grootoorvleermuis en de vale vleermuis, vormt ook passief luisteren naar het geritsel van prooidieren een jachtstrategie. Tot op heden ontbreekt het echter aan uniforme en wetenschappelijk onderbouwde criteria en normen voor de beoordeling van geluidschade aan natuurwaarden, waaronder vleermuizen. Vleermuisonderzoekers vragen zich daarom af wat vleermuizen precies horen van door mensen geproduceerde geluiden.

Lage frequenties

Via literatuuronderzoek en de analyse van eigen geluidsmetingen bij verkeer, festivals en het heien van betonpalen, komen onderzoekers tot de conclusie dat vleermuizen andere geluiden horen dan mensen. Dit staat in het artikel ‘­Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden?’ dat de betrokken onderzoekers dezer dagen hebben gepubliceerd in het tijdschrift Lutra van de Zoogdiervereniging. Het verschil in horen, denken de onderzoekers te kunnen verklaren uit anatomische en fysiologische verschillen tussen de onderzochte vleermuizen en mensen. Volgens de auteurs hebben onder acht kilohertz alle in Nederland voorkomende vleermuizen zelfs al een dermate hoge gehoordrempel dat deze frequenties slechts beperkt, en vaak zelfs niet, worden waargenomen of storend kunnen zijn. De auteurs betogen dat dit geldt voor zowel overwinterende als foeragerende vleermuizen. In de praktijk zou dit kunnen betekenen dat het geluid van bijvoorbeeld verkeer, heien en popconcerten, spraak en klokgelui tot minder verstoring leiden dan tot nu toe werd gedacht. Zo zal naar verwachting in een winterverblijf fluisteren en 'ssssttt' roepen de aanwezige vleermuizen meer verstoren dan gewoon praten.

Praten is voor deze grootoorvleermuizen in winterslaap mogelijk minder verstorend dan fluisterenPraten is voor deze grootoorvleermuizen in winterslaap mogelijk minder verstorend dan fluisteren (Bron: Ben Verboom)

Vleermuisbescherming

Dit (mogelijk) nieuwe inzicht kan van belang zijn bij de bescherming van vleermuizen en bij studies naar de effecten van uiteenlopende, menselijke activiteiten op vleermuizen.
Nader onderzoek is nodig om de uitkomsten van deze studie te kunnen bevestigen. De bevindingen komen alvast overeen met een studie over de invloed van festivalmuziek op vleermuizen, dat na goedkeuring van het artikel voor Lutra in de Levende Natuur (119: 5) werd gepubliceerd en waarvan het rapport ook is te downloaden.
Hopelijk gaan ook andere onderzoekers zich met de invloed van geluid op vleermuizen bezighouden. Klik hier om het hele artikel te lezen.

Naast dit artikel bevat de nieuwste Lutra ook artikelen over de herkomst en de verspreidingsgeschiedenis van de Noordse woelmuis, mollen in wegbermen, 3D botanalyse van tandwalvissen en botafwijkingen bij reeën.
Interesse gewekt? Word lid van de Zoogdiervereniging en neem een abonnement op Lutra of bestel het laatste nummer voor €7,50 bij Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Tekst: Reinier Meijer, VecoRO en Redactie Lutra
Foto’s Paul van Hoof; Ben Verboom