• header09.jpg
  • header06.jpg
  • header07.jpg
  • header04.jpg
  • header03.jpg
  • header01.jpg
  • header05.jpg

Welkom op de website van Vleermuiswerkgroep Noord-Brabant

Op deze website willen wij u informeren over allerlei vleermuiszaken in Noord-Brabant.

 

Hieronder vindt u het laatste nieuws over onze werkgroep.

Samenwerken om de positie van vleermuizen te verbeteren. Hieraan werkten de Zoogdiervereniging, gemeentes, waterschappen en de provincie Limburg. Centraal hierbij stond de migratie van vleermuizen. In opdracht van de provincie Limburg, Rijkswaterstaat, Waterschap Peel en Maasvallel en Waterschap Roer en Overmaas werkte de Zoogdiervereniging aan het project “van Mook tot Maastricht”. Dit project richt zich op de knelpunten en kansen voor migratieroutes van vleermuizen in Limburg, waarbij specifiek wordt gekeken naar de Maas en het Julianakanaal: de lijnvormige waterelementen die voor de migratie van vleermuizen zo belangrijk zijn.

Het landschap tussen Noord en Zuid Limburg, en dan met name het landschap van de waterwegen, vormen de coherentie tussen de in noordwest en midden Nederland voor vleermuizen belangrijke gebieden en de in Zuid Limburg gelegen groeves (in beide delen van Nederland gaat het ook om Natura 2000-gebieden). Het integrale landschap omvat het water en de oevers, de uiterwaarden en de randen van het winterbed en steilranden. Verschillende vleermuissoorten gebruiken verschillende delen van dit landschap (meer open/meer kleinschalig) als migratiestructuur.


Julianakanaal. Op deze foto is goed te zien dat de bomen in de bocht van het Julianakanaal zijn verwijderd. Aan beide kanten van het kanaal staan lantaarnpalen. Met name de combinatie van de onderbreking van groenstructuren en kunstmatige verlichting vormt een knelpunt voor vleermuizen.

Tijdens het project zijn deze knelpunten en kansen samen met verschillende stakeholders in kaart gebracht en samen werden oplossingen gezocht. Het rapport geeft aan hoe, in dit landschap, kan worden omgegaan met ruimtelijke ontwikkeling en beheer zodat de functie van vleermuismigratie niet in de knel komt. Tevens werd bepaald hoe deze informatie doelmatig te borgen is binnen de werkwijzen van de organisaties van de stakeholders. Doelstelling is te komen tot het werken met een integrale gebiedsgerichte landschappelijke aanpak met betrekking tot de migratiefunctie van het landschap voor vleermuizen.

De analyse van knelpunten kansen richtte zich met name op de soorten meervleermuis, ingekorven vleermuis en vale vleermuis (allen soorten van bijlage II en IV van de habitat richtlijn). De analyse is in verschillende stappen opgebouwd:
1) Bureaustudie
2) Veldbezoek met stakeholders
3) Workshop I: Knelpunten, oplossingen en kansen
4) Workshop II: Borging
5) Feedback


Jachthaven van Hanssum. De lantaarnpalen naast het water vormen een knelpunt voor vleermuizen.

Tijdens de bureau studie is op basis van luchtfoto’s en satellietbeelden een inschatting gemaakt van de knelpunten en kansen. De inschatting is door middel steekproefsgewijs veldbezoek verder aangescherpt. Resultaten zijn op kaart vastgelegd (KML en GIS). Dit vormt de basiskaart. Vervolgens zijn relevante en anno 2017 bekende ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied achterhaald op basis van door stakeholders (opdrachtgevers en gemeentes) aangereikte informatie. De beoordeling van de kansen en knelpunten is vervolgens op basis van de ruimtelijke ontwikkelingen op punten aangepast.
Uiteindelijke leidde dat tot de volgende categorieën:

  • doorlatendheid: goed, neutraal of slecht en noodzaak of kans tot verbetering
  • verlichting: slecht en noodzaak of kans verbetering

De resultaten van de beoordeling is op kaart weergegeven (KML en GIS).


Groepsfoto in Geulle aan de Maas.

Naast kennisuitwisseling, heeft het veldbezoek met stakeholders geleid tot kleine aanpassingen in de beoordelingskaart. Tijdens de daaropvolgende workshop zijn verschillende maatregelen om knelpunten op te lossen en kansen te benutten besproken en inzichtelijk gemaakt.
Uit de eerste workshop volgden enkel belangrijke conclusies. Knelpunten worden vaak veroorzaakt door een opeenstapeling van negatieve effecten. Oplossingen zijn vaak relatief eenvoudig en kosten niet veel geld. Vooruit denken en tijdig rekening houden met de migratiefunctie van het landschap werkt kostenbesparend en vergemakkelijkt het om functie van het landschap te behouden. Omleidingen voor vleermuizen kunnen een effectieve oplossing vormen, zeker bij moeilijk of kostbaar op te lossen grote knelpunten. Eenvoudige toegang tot eenduidige informatie omtrent de potentiële migratiefunctie van het landschap en de kansen dan wel knelpunten is van groot belang. Ook wordt daarmee de samen werking tussen de verschillende gebiedspartijen gunstig beïnvloedt. Het gepresenteerde kaartmateriaal is daarvoor geschikt.

Mede als resultaat van de tweede workshop m.b.t. de borging van de uitkomsten en doelstelling, zijn in een serie tabellen de kern van het project, inhoudelijke informatie, procesafspraken, beschrijving potentiële maatregelen, het vastleggen van de 0-situatie en daaruit volgende opdracht (kwaliteit behouden en verbeteren) en realiseren van toepasbare kaartbeelden als borgende maatregelen benoemd. Van even groot belang zijn het juridisch en beleidsmatig toepassingsgebied, van Wnb tot actieve bescherming en omgevings- en bestemmingsplan, en de verschillende elkaar aanvullende rollen, van proces- en controleverantwoordelijkheid tot de te nemen acties van de van de belanghebbenden.
Kern van de gezamenlijk ontwikkelde aanpak is het samenwerken van de verschillende belanghebbenden in het gebied (Provincie, Waterschap, RWS, gemeentes), over hun juridische en praktische grenzen heen. Versterkende of compenserende maatregelen in het gebied van de ene belanghebbende, kunnen zo de ontwikkeling in het gebied van de ander mogelijk maken. Door bovendien versterkende maatregelen te nemen op het moment dat kansen zich voor doen (werk met werk maken), kunnen de kosten lager en het planologische proces eenvoudiger zijn. Tevens kan zo vooruit worden gewerkt, zodat versterking van de migratiefunctie al wordt gerealiseerd voordat een ontwikkeling wellicht een negatieve invloed op de migratiestructuren heeft.  


Geleenbeek. Voorbeeld van een meanderende beek met voldoende begeleidende groenstructuren voor vleermuizen.

Belangrijk resultaat, voor organisaties die in het landschap van Maas en Julianakanaal werken, zijn de GIS-kaarten van structuren en hun inschatting naar categorie. Deze GIS-kaarten zouden beschikbaar gemaakt kunnen worden op zowel organisatie interne viewers ter voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen als op meer openbare vieuwers zoals het GEO-loket van de provincie. Deze informatie is bovendien beschikbaar als KML, benaderbaar via deze link (je kunt de verschillende lagen van de kaart aan- en uitzetten, standaard staan de lagen uitgevinkt). Dat maakt het mogelijk om via bijvoorbeeld My Maps de informatie direct in het veld te raadplegen. Het kaart materiaal is op aanvraag ook in Esri GIS vorm beschikbaar.

Projectleider

Marcel Schillemans
mobiel: 06 44563665 
e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

In kaders in de rapportage worden ook de essentie van maatregelen die genomen kunnen worden toegelicht. Het rapport is te hier te downloaden.

Afgelopen weekend ging het seizoen voor de Zoldertellingen van Vleermuizen 2019 van start. Al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw worden overal in Nederland zolders en torens bezocht om te zoeken naar (sporen van) vleermuizen. Sinds 2008 zijn deze tellingen onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).

Trends en verspreiding

Zolders, torens en soms zelfs stallen of oude loodsen vormen voor een aantal vleermuissoorten, zoals laatvlieger, grootoorvleermuizen en ingekorven vleermuis, belangrijke (kraam)verblijfplaatsen. Ook andere soorten vleermuizen maken regelmatig gebruik van dergelijke ruimten. Bij de zoldertellingen van het NEM ligt in eerste plaats de focus op het bezoeken van de verblijfplaatsen van de ingekorven vleermuis (telseizoen start op 15 juli) en grijze grootoorvleermuis (telseizoen start op 1 augustus). Van deze soorten worden vrijwel de gehele (zomer) populaties geteld. Door dit jaarlijks te herhalen kan voor deze soorten de populatietrend worden bepaald: wordt de populatie groter, kleiner of blijft ze op een gelijk niveau? Voor alle zolders en torens waar ook andere soorten vleermuizen worden aangetroffen, vormen de tellingen een bijdrage in het verspreidingsonderzoek van die vleermuizen. Veranderingen in de verspreiding op zolders en torens geven voor die soorten een aanwijzing voor veranderingen in de populaties, mits er veel zolders en torens herhaaldelijk worden bezocht.

Bezoek

Een bezoek aan een kerkzolder of –toren is een belevenis op zich. Gewapend met zaklamp, hoofdlamp, fotocamera, verrekijker en als nodig handzame determinatieboekjes, betreed je plekken waar normaliter bijna niemand komt.

Eenmaal op de zolder of in de toren speur je naar vleermuizen en hun sporen, met name de kleine keuteltjes. Ook aan de hand van de keuteltjes kunnen een aantal soorten vleermuizen worden onderscheiden. Behalve een kans op het zien van vleermuizen geeft zo’n bezoek vaak ook zicht op wijdse uitzichten en bijzondere bouwkunde. Na de telling worden resultaten via een digitaal portaal doorgegeven aan de Zoogdiervereniging, en vervolgens aan het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS).

Zoldertellingen bieden naast het vinden van vleermuizen ook een blik op bijzondere bouwkunde en vergezichtenZoldertellingen bieden naast het vinden van vleermuizen ook een blik op bijzondere bouwkunde en vergezichten (Bron: Marjolein van Adrichem)

Resultaten

De grijze grootoorvleermuis is in Nederland een zeldzame vleermuis. We vinden haar momenteel in Limburg, Zuidelijk Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen. Dit vormt de noordelijke grens van haar verspreidingsgebied in Nederland.

Verspreiding van de grijze grootoorvleermuis in NederlandVerspreiding van de grijze grootoorvleermuis in Nederland (Bron: Zoogdiervereniging)

De populatietrend over lange termijn is positief, maar de laatste vijf jaar schommelt ze veel. In totaal kennen we 84 objecten waar (ooit) grijze grootoorvleermuizen zijn gevonden. In een deel daarvan wordt ze inmiddels niet meer aangetroffen, en een ander deel wordt niet jaarlijks geteld. Het zou goed zijn als die objecten weer eens bezocht zouden worden.

Trend van de grijze grootoorvleermuis 1996-2017Trend van de grijze grootoorvleermuis 1996-2017 (Bron: Zoogdiervereniging en CBS)

De ingekorven vleermuis is een uiterst zeldzame vleermuis in Nederland. Alleen in een zeer beperkt aantal verblijfplaatsen worden grote groepen dieren geteld. Nadat in 2012 één van die verblijfplaatsen opeens was verlaten, werd een intensieve zoektocht opgezet. Dat leverde een aantal voorheen onbekende verblijfplaatsen op. In het totaal kennen we nu zestien verblijfplaatsen van deze soort; het overgrote deel daarvan wordt jaarlijks bezocht. Omdat het om zo weinig verblijfplaatsen gaat en historische data deels ontbreken, wordt momenteel de standaard trend aangepast en kunnen we hier geen actuele trend weergeven.

Grijze grootoorvleermuizen (links) en ingekorven vleermuis (rechts)Grijze grootoorvleermuizen (links) en ingekorven vleermuis (rechts) (Bron: Bernadette van Noort (links) en Wesley Overman (rechts))

Buiten de in Zuid-Nederland gelegen gebouwen waar grijze grootoorvleermuizen en ingekorven vleermuizen worden geteld, worden in heel Nederland nog veel meer zolders en/of torens bezocht.
Soms worden grote groepen vleermuizen aangetroffen zoals watervleermuizen of meervleermuizen in Noord-Holland en Friesland, of laatvliegers in Gelderland en Limburg. Gewone grootoorvleermuizen worden bijna overal in Nederland wel op zolders of in torens gezien. Meestal vind je sporen van vleermuizen en één tot enkele dieren. Dergelijke waarnemingen zijn een belangrijk onderdeel van het verspreidingsbeeld van die soorten in Nederland.

Doe mee!

Zoldertellingen van vleermuizen zijn leuk, spannend en vooral belangrijk voor het onderzoek en de bescherming van vleermuizen. Voor het meedoen met het meetprogramma NEM Zoldertellingen Vleermuizen is ervaring met vleermuizen niet vereist. Je gaat eerst mee met meer ervaren tellers en leert zo (sporen van) vleermuizen herkennen. Heb je al wel ervaring met het herkennen van (sporen van) vleermuizen dan kun je, na afstemming met de provinciaal coördinator, zelf op pad. In verband met veiligheid ga je in principe altijd met meerdere mensen een zolder op of toren in. 
De Zoogdiervereniging heeft een handig determinatieboekje en -kaart (hier te downloaden).

Wil je mee doen of meer informatie over de zoldertellingen van vleermuizen in Nederland, mail dan Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

In het meetprogramma NEM Zoldertellingen geregisteerde objecten waar geteld wordt, en objecten zonder teller.In het meetprogramma NEM Zoldertellingen geregisteerde objecten waar geteld wordt, en objecten zonder teller. (Bron: Zoogdiervereniging)

Tekst: Marcel Schillemans, Landelijk Coordinator Zoldertellingen, Zoogdiervereniging
Foto's: Marjolein van Adrichem, Wesley Overman en Bernadette van Noort (allen Zoogdiervereniging)
Figuren: Zoogdiervereniging, CBS

Afgelopen weekend (25 en 26 mei 2019) vond de eerste landelijke vleermuistuintelling plaats. De eigenaren van iets meer dan 300 tuinen uit heel Nederland deden mee aan de telling en telden in totaal ruim 1900 vleermuizen: een succesvolle eerste telling!

Als het gaat over waar vleermuizen wonen denken veel mensen aan grotten en zolders of kelders van kastelen in prachtige – vaak buitenlandse - natuurgebieden. Ongeveer de helft van de 18 in Nederland voorkomende soorten vleermuizen zijn echter regelmatig in onze woonomgeving waar te nemen of zijn zelfs onze directe buren. Die vleermuizen wonen dan overdag in spouwmuren of onder dakpannen en jagen ’s nachts op insecten in onze tuinen, plantsoenen, parken en bossen. Andere soorten wonen liever op oude zolders of in boomholten buiten steden of dorpen, maar zoeken naar insecten in tuinen en parken in onze omgeving.

De meest waargenomen vleermuizen bij de vleermuistuintelling; gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis
De meeste waargenomen vleermuizen: gewone dwergvleermuis (links), laatvlieger (midden) en rosse vleermuis (rechts). Foto's Erik Korsten en René Janssen (laatvlieger).

Bewustwording

Dat je op veel plekken in Nederland niet ver de deur uit hoeft om vleermuizen te zien vliegen is bij veel mensen niet bekend. Niet zo gek natuurlijk, want als nachtdieren zijn vleermuizen niet zo zichtbaar als bijvoorbeeld vogels en vlinders die overdag actief zijn. Om meer mensen bewust te maken van de vleermuizen in hun tuin organiseerde de Zoogdiervereniging in samenwerking met www.tuintelling.nl op 25 en 26 mei jl. de eerste landelijk vleermuistuintelling.

Vleermuisfans en nieuwkomers

Aan deze eerste editie deden 307 tuintellers mee en werden 382 tellingen uitgevoerd. Sommige mensen vonden het dus zo leuk dat ze zaterdag én zondagavond vanaf zonsondergang een uur in hun tuin de rondvliegende vleermuizen hebben geteld. De deelnemers bestonden uit een mix van ervaren vleermuisfans en mensen die voor het eerst naar vleermuizen keken. De vleermuistuintelling leverde ook meer dan 175 nieuwe deelnemers aan www.tuintelling.nl op. We hopen dat deze nieuwe tellers naast de vleermuizen ook de vogels, vlinders en bijen in hun tuin gaan tellen.

Dat tuinen ontzettend belangrijk zijn voor vleermuizen blijkt uit dat in bijna 90% van de 382 tellingen deelnemers ook vleermuizen in de tuin zagen vliegen. Als hulpmiddel voor het bepalen van welke soort ze dan zagen was de ZOEKKAART VAN DE MEESTE VOORKOMENDE VLEERMUIZEN IN NEDERLAND ter beschikking gesteld. Herkennen van een soort vraagt echter wel wat oefening. Op 175 locaties gaven tellers aan de soort niet te weten (onbekende vleermuis).

Welke vleermuizen zijn gezien?

Met 216 locaties waren de dwergvleermuizen de meest waargenomen vleermuizen. Op basis van de ecologie en de verspreiding zal dit overwegend om gewone dwergvleermuizen gaan. Op alleen het zicht zijn de gewone, ruige en kleine dwergvleermuis niet van elkaar te onderscheiden. Ook regelmatig, maar op veel minder locaties werden laatvliegers of rosse vleermuizen gezien. Deze twee grotere soorten werden gezien op 58 locaties.
Er werden slechts enkele waarnemingen gedaan van grootoorvleermuizen en watervleermuizen en dat is niet zo vreemd. Grootoorvleermuizen worden pas actief als het bijna donker is en zijn daardoor erg moeilijk te zien. Watervleermuizen jagen het liefst vlak boven grote vijvers en hebben dus een voorkeur voor de grootste tuinen en parken.

Terwijl de meeste mensen slechts enkele vleermuizen boven hun tuin zagen vliegen werden er ook tellingen van tientallen tot meer dan honderd dieren gedaan. Dit zal vooral gaan om één of enkele individuen die steeds weer opnieuw werden geteld. In een aantal gevallen werd echter gemeld dat de getelde vleermuizen uitvlogen uit de woning van de tuinteller of bij de buren. De kaart geeft een overzicht van de locaties van alle tuintellingen en de verhouding tussen het aantal vleermuizen per tuintelling.


1ste vleermuistuintelling 2019: het aantal tuinen met waarnemingen van vleermuizen per provincie.

Op naar de volgende vleermuistuintelling!

De Zoogdiervereniging en www.tuintelling.nl danken alle deelnemers aan de vleermuistuintelling. De eerste editie overtrof onze stoutste verwachtingen en we hopen dat jullie, en met jullie nog veel mensen ook mee gaan doen aan de tweede landelijke vleermuistuintelling. Omdat we van zowel voorjaar als nazomer willen weten waar de vleermuizen uithangen hoef je daar geen jaar op te wachten: de volgende landelijk vleermuistuintelling vind plaats in augustus. Meld je aan bij www.tuintelling.nl en je krijgt er automatisch weer bericht over!

Tekst: Marcel Schillemans en Erik Korsten (Zoogdiervereniging)
Foto's: René Jannsen (laatvlieger) en Erik Korsten
Figuren: Jaarrond tuintelling / Zoogdiervereniging

Vleermuizen activiteit kan sterk variëren van avond tot avond. Het is daarom soms moeilijk om te weten waar welke soorten voorkomen en hoeveel activiteit er is. Vleermuizen activiteit juist en volledig inschatten is ook erg belangrijk om te kunnen inschatten welke maatregelen nodig zijn op plaatsen waar wind turbines gepland worden.

Onderzoekers uit Groot-Brittannië onderzochten data van 48 wind-parken waar SM2BAT-detectors geplaatst waren (passieve detectors die de hele nacht vleermuizen opnemen). Ze selecteerden willekeurige nachten per site (uit de periode juli-oktober), en herhaalden dat een hele boel keer om zo een inschatting te kunnen maken hoeveel nachten je minimum nodig hebt om meer dan 80% kans te hebben dat je locaties hoge vleermuis-activiteit correct inschat. Uit deze analyses bleek dat je meer nachten moet onderzoeken dan nu meestal geadviseerd wordt. Voor Gewone dwergvleermuis en Kleine dwergvleermuis zijn respectievelijk 8 nachten voldoende om een inschatting te kunnen maken. Logischerwijs heb je minder nachten nodig als het weer goed is (resp. 4 en 6). Maar voor een soort als Rosse vleermuis, die erg kwetsbaar is voor aanvaringen met windturbines, heb je minimum 12 nachten nodig. Verrassend genoeg, veranderd dat voor Rosse vleermuis niet als je enkel nachten met goed weer onderzoekt. Handige info om te onthouden als je detectors uitlegt, of een impact-studie wilt inschatten.

Schermafbeelding 2019-05-15 om 18.11.45.png

Richardson S, Lintott P, Hosken DJ, Mathews F (2019) An evidence-based approach to specifying survey effort in ecological assessments of bat activity. Biological Conservation https://doi.org/10.1016/j.biocon.2018.12.014 (niet gratis)

Tekst: Daan Dekeukeleire

Vleermuizen zijn bijzonder sociale dieren. In de zomer leven vrouwtjes leven samen in kraamkolonies, waar de jongen groot worden. Zo’n kolonies, zeker bij soorten die in boomholtes verblijven, verhuizen regelmatig (bij sommige soorten om de paar dagen). Dat moeders hun jongen in zo’n situaties tonen waar te slapen, werd al lang vermoed, maar kon nog nooit aangetoond worden.

Onderzoekers uit Duitsland gebruiken een nieuw type ‘proximity-sensors’, zenders die opslaan als twee dieren op minder dan 10m van elkaar zijn, in een kolonie Rosse vleermuizen. Dit type zenders is vrij zwaar (1.1-1.9 gr), dus kan enkel gebruikt worden op grotere soorten. Uit dit onderzoek blijkt dat Rosse vleermuis-moeders informatie doorgeven aan hun jongen waar de verblijfplaatsen zich bevinden. Jonge vleermuizen volgen dus hun moeders, en geen andere individuen uit de kolonie. Tijdens de nachtelijke foerageer vluchten waren er slechts kortstondige en toevallige ontmoetingen, wat er op wijst dat moeders geen informatie doorgeven over waar jongen kunnen foerageren.

Schermafbeelding 2019-05-15 om 18.19.16.png

Ripperger S, Günther L. Wieser H, Duda N, Hierold M, Cassens B, Kapitza R, Koelpin A, Mayer F. (2019) Proximity sensors on common noctules bats reveal evidence that mothers guide juveniles to roosts but not food. Biology Letters https://doi.org/10.1098/rsbl.2018.0884 (niet gratis)

Tekst: Daan Dekeukeleire

Begin jaren 2000 bleek bij genetisch onderzoek dat er bij vleermuizen in Europa een grote cryptische diversiteit is: sommige soorten blijken eigenlijk te bestaan uit meerdere, nauwverwante, soorten. Meestal is deze diversiteit gelinkt aan de ijstijden: toen werden vleermuispopulaties in het zuiden van Europa teruggedrongen, en leefden de populaties van het Iberisch schiereiland, Italië, de Balkan en de Kaukasus afgescheiden, en ontwikkelden zich tot andere soorten.

Het gaat hier om genetisch (en vaak ook ecologisch) heel verschillende soorten, maar morfologische verschillen zijn klein en moeilijk te zien. Vooral bij ‘Franjestaart’ werden de afgelopen jaren veel van die cryptische diversiteit onderzocht en beschreven, maar die ‘nieuwe’ soorten’ moesten wachten tot dit jaar om nieuwe namen te krijgen. Een uitzondering is de Myotis escalerai, de franjestaart in het Iberisch schiereiland. Een recente studie (çoraman et al.) probeert wat duidelijkheid te brengen door de cryptische soorten een naam en een beschrijving te geven. De franjestaarten in de Maghreb worden als ondersoort beschouw van de Iberische franjestaart, en krijgen als naam Myotis escalerai cabrerae. De soort in Italië, Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje werd dan weer een ondersoort van de ‘gewone’ franjestaart; Myotis nattereri helverseni. In de Kaukasus heb je dan Myotis tschulliensis, terwijl de franje in Iran Myotis araxenus heet; en de Levant heb je Myotis hoveli. En dan zijn er nog onduidelijkheden: Corsica heeft ook nog zijn ‘eigen’ unieke (maar voorlopig naamloze) franjestaart, en de situatie in Cyprus, Iran en centraal Azië is nog niet voldoende onderzocht. Maar los daarvan blijft de franjestaart-taxonomie nog steeds verwarrend, want enkele dagen na het eerste artikel verscheen een ander artikel in een ander vakblad (Juste et al.) die de ondersoort-franjestaarten als volwaardige nieuwe soorten beschrijft: Myotis crypticus in Italië, Zuid-Frankrijk en Noord Spanje en Myotis zenatius in de Maghreb. De taxonomische regels zeggen dat deze studie te laat is, maar vermoedelijk zullen verschillende mensen deze namen blijven gebruiken.

image-2019-05-15.jpg

çoramansd E, Dietz C, Hempel E, Ghazaryan A, Levin E, Presetnik P, Zagmajster M, Mayer F. 2019. Reticulate evolutionary history of a Western Palaearctic Bat Complex explained by multiple mtDNA introgressions in secondary contacts. Jounal of Biogeography https://doi.org/10.1111/jbi.13509 (niet gratis)

Juste J, Ruedi, Puechmaille S, Salicini I & Ibanez C. 2019 Two New Cryptic Bat Species within the Myotis nattereri Species Complex (Vespertilionidae, Chiroptera) from the Western Palaearctic. Acta Chiropterologica https://doi.org/10.3161/15081109ACC2018.20.2.001 (niet gratis)

Tekst: Daan Dekeukeleire

5f26d047-145f-4038-a096-5192c433cfb6.jpg&h=350&w=870&v=1557412185.jpeg

Na de al best bekende nationale tellingen van vogels, vlinders en bijen, is het nu de beurt aan iets minder bekende tuingasten: vleermuizen. Nou denkt u misschien: “Vleermuizen, bij mij in de tuin???” Maar jazeker; in veel Nederlandse tuinen zijn regelmatig vliegende vleermuizen te zien. U kunt dat zelf ontdekken op 25 en 26 mei tijdens de eerste Nationale Vleermuistuintelling.

Typische tuin-vleermuizen

Van de achttien in Nederland voorkomende soorten vleermuizen is er een aantal regelmatig in onze woonomgeving te zien. Soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger wonen graag in spouwmuren en onder dakpannen en jagen ook in parken en tuinen. De gewone grootoorvleermuis woont zowel op rustige (oude) zolders als in holle bomen en wie geluk heeft, kan hem in vooral oude tuinen, parken en bossen zien. Er zijn ook soorten, zoals de watervleermuis, die liever in boomholten wonen, maar toch regelmatig vlak boven het wateroppervlak van vijvers in dorpen en steden jagen. De rosse vleermuis is ook zo’n boombewoner, die soms hoog boven een park of tuin op jacht is naar kevers en nachtvlinders.

En die insecten eten ze veel! Een gemiddelde vleermuis eet per nacht zo’n duizend insecten! Daarmee dragen ze bij aan het in toom houden van de aantallen steekmuggen en de voor groente, fruit en tuinplanten schadelijke nachtvlinders en kevers.

Groen + water + donker = vleermuizen

Vleermuizen zijn bovendien goede indicatoren voor een duurzame, natuurinclusieve omgeving. Vooral daar waar mensen in hun eigen omgeving genoeg ruimte laten voor natuurlijk groen, waterrijke natuur en een donkere nacht, komen veel vleermuizen voor. Wij, en u vast ook, zijn daarom heel erg benieuwd of vleermuizen ook bij u in de tuin rondvliegen. Als u ‘s avonds in de schemering nog graag in de tuin zit, kunt u op 25 en 26 mei 2019 de vleermuizen in uw tuin ontdekken tijdens de eerste Nationale Vleermuistuintelling!

Meedoen met de Vleermuistuintelling

Om vleermuizen te zien, kunt u het best vanaf zonsondergang een uurtje in uw tuin gaan zitten. Dat is op 25 en 26 mei vanaf ongeveer 21:40 uur. Om het silhouet van een vliegende vleermuis goed te kunnen zien, zoekt u een plekje van waaruit u vrij zicht hebt op een stuk avondhemel. Bij voorkeur met ook wat zicht op een boom of struiken.

Als u dan vleermuizen ziet, kunt u op Tuintelling.nl doorgeven hoeveel vleermuizen u in of boven uw tuin hebt zien vliegen en welke soort u denkt dat het is. Voor het bepalen van de soort heeft de Zoogdiervereniging een eenvoudig hulpmiddel gemaakt: de Zoekkaart voor de meest voorkomende vleermuizen in Nederland. Met deze zoekkaart kunt u op basis van de grootte van de vleermuis en de manier van vliegen zelf ontdekken welk soort of soorten vleermuizen er in uw tuin voorkomen. De zoekkaart kunt u gratis aanvragen of downloaden bij de Zoogdiervereniging.

Doet u mee met de Nationale Vleermuistuintelling en geniet u van de vleermuizen in uw tuin? 

Laat ons dan meegenieten! Pak uw smartphone, foto- of videocamera en film de vleermuizen. Zet uw filmpje op Youtube en deel het met ons via Facebook, Twitter, LinkedIn, of stuur een linkje. U kunt uw filmpje ook via WeTransfer naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. sturen.

In de onlangs verschenen update van hun ‘vleermuis-synopsis’ concludeert Conservation Evidence dat voor een overgroot deel van de toegepaste maatregelen ter bescherming van vleermuizen en hun leefgebied onvoldoende bekend is of deze ook daadwerkelijk effectief zijn. Daarbij gaat het over een breed scala aan maatregelen, inclusief de meest bekende en toegepaste maatregel: vleermuiskasten.

 


Vleermuiskasten van links naar rechts: een inbouwkast, een grote kraamkoloniekast en een kleine vleermuiskast (foto's Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Conservation Evidence

Conservation Evidence is een langlopend project waarbij gepubliceerde studies van beschermingsmaatregelen worden verzameld en samengevat: welke maatregelen zijn wel -en welke niet- effectief voor het beschermen van dieren, planten en habitats? Het in Cambridge (Engeland) gevestigde Conservation Evidence maakt deze informatie vrij beschikbaar, zodat natuurbeschermers weloverwogen beslissingen kunnen nemen over welke maatregel(en) ze moeten kiezen. Het is de bedoeling dat dit hulpmiddel continu wordt aangevuld met nieuwe studies, om zo de database van bewezen-effectieve-maatregelen up-to-date te houden. Conservation Evidence gebruikt daarbij alleen kwantitatief onderzoek uit artikelen, rapporten en nog niet gepubliceerde vakliteratuur. Modellen en correlatieve studies worden niet opgenomen. Een samenvatting van de vleermuis-synopsis is vrij beschikbaar op de Conservation Evidence website.

Voor de update zijn 173 gepubliceerde artikelen geanalyseerd. Voor het eerst waren hier ook artikelen in het Spaans en het Portugees bij. Dit voegt aanzienlijk meer informatie toe over de effectiviteit van manieren om vleermuizen te beschermen. De vorige studie naar beschermende maatregelen voor vleermuizen benadrukte de slechte staat van kennis over dergelijke maatregelen: bij 48 van de 79 indertijd beoordeelde maatregelen bleek onderzoek of bewijs van de effectiviteit van de maatregelen te ontbreken. Dankzij nieuw onderzoek die in de afgelopen vijf jaar zijn gepubliceerd, zijn er beoordelingen voor 72 maatregelen in de nieuwe update opgenomen. Voorbeelden daarvan zijn het aanbieden van vleermuiskasten, hop-overs om vleermuizen veilig te laten oversteken, vleermuisvriendelijke verlichting en maatregelen om te voorkomen dat vleermuizen slachtoffer worden van windturbines. Daarnaast hebben vleermuisdeskundigen de lijst met mogelijke acties uitgebreid tot 190.

De uitgebreide bewijzen in de update maken een meer subtiele interpretatie van het bewijsmateriaal mogelijk. De maatregel “vleermuiskasten plaatsen” is bijvoorbeeld gesplitst in "het aanbieden van vleermuiskasten in al bestaand habitat" en "het bij ruimtelijke ingrepen vervangen van bestaande verblijfplaatsen met nieuwe kunstmatige verblijven". Door de geëvalueerde acties steeds specifieker te maken, is het gemakkelijker om precies te begrijpen welke beschermingsacties in welke situatie effectief zijn.


Vleermuiskasten worden in bossen vaak gebruikt door indivuele vleermuizen of kleine groepjes (foto: Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Vleermuiskasten als extra verblijfplaats

Zo concludeert Conservation Evidenced dat het aannemelijk is dat het “aanbieden van vleermuiskasten in al bestaand habitat” een gunstig effect heeft kan hebben vleermuizen. De onderliggende studies voor deze conclusie gaan echter over het aanbieden van vleermuiskasten zonder dat er sprake is van het vervangen van bestaande verblijfplaatsen. Zij maakt bij het aanbieden van vleermuiskasten in al bestaand habitat ook twee belangrijke aantekeningen:

  1. Uit de onderliggende studies wordt weliswaar duidelijk dat vleermuiskasten door vleermuizen gebruikt worden, maar er zijn onvoldoende onderzoeksresultaten beschikbaar over welke modellen het meest geschikt zijn, voor welke soorten vleermuizen, en voor welke functies. Gebruik van vleermuiskasten door kraamgroepen blijft bijvoorbeeld in veel studies onderbelicht.
  2. Er zijn geen studies die ingaan op het effect van het aanbieden van vleermuiskasten op populaties van een soort of leefgemeenschappen van vleermuizen in een bepaalde habitat. Hiervoor zijn studies nodig die over langere tijd het gebruik van vleermuiskasten volgen en studies van vleermuispopulaties in vergelijkbaar habitat met en zonder vleermuiskasten.

Het aanbieden van een vleermuiskast hoeft daarom niet per definitie een positief effect te hebben. In cijfers uitgedrukt wordt de effectiviteit door Conservation Evidence bepaald op 50%, de zekerheid hierover op 45% en de kans op een negatief effect op vleermuizen op 0%.

Vleermuiskasten als vervangende verblijfplaats

Bij de maatregel “het bij ruimtelijke ingrepen vervangen van bestaande verblijfplaatsen met nieuwe kunstmatige verblijven” concludeert Conservation Evidence ook dat het aannemelijk is dat dit een gunstig effect kan hebben op vleermuizen. Hierbij zijn de effectiviteit en de zekerheid beiden met 40% echter lager dan bij vleermuiskasten an sich en het negatief effect op vleermuizen is bepaald op 10%
Onder deze categorie vallen niet alleen vleermuiskasten en inbouwvoorzieningen voor vleermuizen maar ook speciaal voor vleermuizen gebouwde schuren en andere vleermuisgebouwen. Wie in de onderliggende literatuur duikt ziet echter dat er nog erg weinig studies zijn over het effect van vleermuiskasten en inbouwvoorzieningen als vervanging van verblijfplaatsen bij bomenkap of sloop, renovatie en na-isolatie van gebouwen. Ook bij deze maatregel zijn er geen studies beschikbaar over het effect op de (lokale) populaties vleermuizen.

Niet-bewezen-maatregelen bedreigen de gunstige staat van instandhouding

Voor de praktijk van vleermuisbescherming moeten we ons dus afvragen of bij kap, sloop, renovatie en na-isolatie- externe en ingebouwde vleermuiskasten gezien mogen worden als een bewezen effectieve maatregel ter bescherming van vleermuizen en hun verblijfplaatsen. Het is onvoldoende onderzocht om te kunnen spreken over een voldoende onderbouwd bewezen positief effect op populaties en leefgemeenschappen op de korte en lange termijn. Bij zulke projecten worden wel vaak vleermuiskasten en inbouwkasten geplaatst. Daar ligt een grote noodzaak en een mooie kans voor meer en beter onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregelen op (lokale) populaties. Betere kennis van de populatie vóór en ná de ingreep, betere kennis van eisen die vleermuizen aan verblijfplaatsen stellen (succesfactoren) en meer kennis van het korte- en lange termijn gebruik van maatregelen voor vleermuizen is dringend nodig. Toepassing van niet-effectieve bescherminsgmaatregelen leidt op den duur immers tot afbreuk van de gunstige staat van instandhouding van een soort.


Kraamkolonies van vleermuizen (in dit geval gewone dwergvleermuizen) in vleermuiskasten zijn nog weinig gedocumenteerd (foto: Erik Korsten, Zoogdiervereniging)

Hopelijk raken beleidsmakers, ecologisch adviesbureaus en andere vleermuisonderzoekers door de nieuwe synopsis geïnspireerd om deze kennislacunes in te vullen! Er wordt immers ook in Nederland – naar we aannemen - veel meer aan maatregelen gemeten dan er wordt gepubliceerd. Het meten van het effect van de toepassing van vleermuiskasten bij ruimtelijke ingrepen kan bovendien niet los worden gezien van de effecten van veel andere maatregelen om bij kap, sloop, renovatie en na-isolatie vleermuizen te beschermen. Voor maatregelen als het “buitensluiten van vleermuizen voor de ingreep” en het “uitvoeren van de ingreep buiten kwetsbare perioden” waren voor Conservation Evidence geen enkele effectstudies beschikbaar! Het ligt voor de hand dat het meten van het effect van deze maatregelen een voorwaarde is voor het meten van het effect van vleermuiskasten en inbouwvoorzieningen bij ruimtelijke ingrepen.

Monitor, publiceer en deel je kennis!

De Conservation Evidence for bats’ synopsis is samengesteld om wereldwijd het werk van vleermuisbeschermers te ondersteunen. Er worden vanaf nu jaarlijkse updates gepland, zodat het een steeds nuttiger bron van informatie zal worden. Natuurbeschermers worden aangemoedigd om actief bij te dragen, door natuurbeschermingsmaatregelen te testen en daarover te publiceren. Conservation Evidence streeft naar het samenstellen van gratis, open toegankelijke, op de praktijk gerichte informatie. Periodiek verschijnt ook de uitgave over alle soortgroepen: What Works in Conservation.

Gebruik deze hulpbron, deel de synopsis met uw collega's en draag er zelf aan bij, om zo de bescherming van vleermuizen effectiever te maken! Bewezen effectieve maatregelen zijn nodig om ook op de lange duur ruimtelijke ontwikkelingen en natuurbescherming hand in hand te laten gaan.

Tekst: Jasja Dekker (lid begeleidingscommissie Conservation Evidence – bat synopsis) en Erik Korsten (Zoogdiervereniging)
Foto's: Erik Korsten (Zoogdiervereniging)