• header06.jpg
  • header01.jpg
  • header09.jpg
  • header04.jpg
  • header07.jpg
  • header05.jpg
  • header03.jpg

Welkom op de website van Vleermuiswerkgroep Noord-Brabant

Op deze website willen wij u informeren over allerlei vleermuiszaken in Noord-Brabant.

 

Hieronder vindt u het laatste nieuws over onze werkgroep.

Donderdagmiddag 22 maart 2018 is het achtste symposium Vleermuizen in de stad in Tilburg. Het symposium “Vleermuizen in de Stad” wordt dit jaar georganiseerd door Gemeente Tilburg en de Zoogdiervereniging. Dit jaar staat het symposium in teken van de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen door vrijwilligers in de stad.

Locatie: Klasse Theater, Carré 16 in Tilburg.

Bekijk het programma (pdf)

U kunt zich hier aanmelden voor deze bijeenkomst. Let op: Aanmelden kan tot uiterlijk maandag 19 maart 2018, 8.00 uur. 

Het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse plassen en de Haeck is een belangrijk leefgebied voor diverse soorten die gebonden zijn aan laagveen, zoals de meervleermuis. De Zoogdiervereniging monitorde samen met vrijwilligers, in opdracht van Provincie Zuid-Holland, het gebied op zijn functie als foerageergebied voor meervleermuizen. Naast meervleermuizen werden er ook veel andere soorten waargenomen.

 

Nachtelijke vaartochten

Vrijwilligers hebben het gebied twee keer ´s nachts doorkruist met twee fluisterboten van Natuurmonumenten. Daarnaast is een vrijwilliger met een auto een route om de plas heen gereden. Naast de traditionele wijze van waarnemen door ervaren veldecologen met getunede vleermuisdetectors, gingen er ook automatische vleermuisrecorders mee.


Vleermuisonderzoeker Anton van Meurs aandachtig op zoek naar meervleermuizen (foto: Marcel Schillemans).

Het rijden rond de plas leverde maar drie waarnemingen van doelsoort de meervleermuis op, in maar twee van de 28 bemonsterde kilometerhokken.  Het varen leverde 20 en 25 manuele waarnemingen op in 11 van de 13 kilometerhokken. De automatische recorders gaven op exact dezelfde plekken de aanwezigheid van meervleermuizen weer, maar per plek werden meerdere opnamen gemaakt. Per avond werden de meervleermuizen maar liefst 330 en 470 keer automatisch geregistreerd. Meervleermuizen in groepen jaagden vooral bij twee bredere vaarten met een brede rietkraag en boomopslag. 


Naast meervleermuizen werden er veel andere soorten vleermuizen in het onderzoeksgebied aangetroffen, waaronder de ruige dwergvleermuis (foto: Wesley Overman).

Luwte van de wind

De windrichting had een sterke invloed op de plek waar meervleermuizen gingen jagen. In onderstaande figuren is goed te zien dat de meervleermuizen in de luwte van de oever jagen aan de kant waar de wind vandaan komt. Het is daarom verstandig hier rekening mee te houden bij het onderhoud van het gebied, zoals bij het beheer van het moerasbos.

   
Meervleermuizen jagen doorgaans boven grotere wateren. Dit doen ze het liefst in de luwte, zoals duidelijk naar voren komt als ook windrichting en –sterkte worden bekeken (bron: Zoogdiervereniging / NDFF). Klik op de kaartjes voor grotere weergave.

Niet alleen meervleermuizen, maar ook meer vleermuizen

Naast meervleermuizen werden ook veel jagende laatvliegers, rosse vleermuizen gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen waargenomen. Waarnemers registreerden ook enkele watervleermuizen en tweekleurige vleermuizen. De automatische recorders legden deze op dezelfde locaties vast. De automatische recorders namen in verhouding meer rosse vleermuizen en ruige dwergvleermuizen waar dan de waarnemers.


Het relatieve aandeel waarnemingen van de soorten: een vergelijking tussen automatisch en manueel vastgelegde waarnemingen (bron: Zoogdiervereniging / NDFF).

Tekst: Eric Jansen en Glenn Lelieveld, Zoogdiervereniging.

In het weekend van 30 juni tot 2 juli is er door 12 leden van onze vleermuiswerkgroep onderzoek gedaan naar verblijfplaatsen van de meervleermuizen, die foerageren op de Steenbergse Vliet.

Het voormaligesluiswachtershuis op het sluizencomplex BenedenSas diende als uitvalsbasis voor het onderzoek. Onder het genot van een bakje koffie/thee met zelf gebakken appeltaart door Wim hebben we kennis met elkaar gemaakt. Peter volgde met de aftrap over de algemene kennis van de meervleermuis, inclusief de geluiden. Rond 21.30 uur zijn we ingescheept in 3 elektrische sloepen, die ons in bruikleen waren gesteld door Jachthaven De Schapenput van de familie De Neve. Vanuit het dorpje De Heen zijn we over de Steenbergse Vliet richting Steenbergen gevaren. Iedere sloep had een eigen positie van waaruit gewacht zou worden tot de eerste meervleermuizen zouden passeren. 

 Schermafbeelding 2018 01 11 om 15.41.37

Figuur 1: Steenbergse Vliet

 

sloep

positie

1

Kop Steenbergse Haven (het is bekend dat er meervleermuizen hier vandaan de stad in vliegen

2

Ter hoogte van enkele loodsen, die nu nog dienen als caravanstalling, maar ooit mogelijk plaats moeten maken voor woonhuizen

3

Splitsing Steenbergse Haven- Steenbergse Vliet (op deze locatie kunnen eventuele vliegroutes vanuit richting Roosendaal worden waargenomen)

Via de groepsapp hebben we onderling contact gehouden over de vleermuisactiviteiten.

Zoals verwacht werd de eerste meervleermuis waargenomen door sloep 1, die zich het dichtst bij de vermoedelijke verblijfplaats bevindt. Gevolgd door sloep 2 en later pas sloep 3.

Nadat de invliegroute vanuit de haven was vastgesteld is de bemanning van sloep 1 de wal opgegaan om het vervolg van de route te achterhalen. In de wijk ten zuiden van de Steenbergse haven (zie figuur 2) werden een aantal meervleermuizen gehoord. We nemen aan dat de verblijfplaats zich in deze wijk bevindt. Het uitgangspunt voor verder onderzoek.

Bij sloep 2 zijn veel foeragerende meervleermuizen waargenomen. Er zijn geen uitvliegers vanaf de loodsen waargenomen. Om met zekerheid te kunnen zeggen dat er geen meervleermuizen in de loodsen zitten, zal er met meer mensen gepost moeten worden.

Vanuit sloep 3 werd geconstateerd dat er geen meervleermuizen vanuit de richting Roosendaal kwamen.

Naast de meervleermuizen zijn vanuit elke sloep de volgende soorten waargenomen: gewone dwerg, ruige dwerg, laatvlieger, rosse- en watervleermuis. 

Tegen 23.30 uur is het gaan regenen en zijn alle sloepen weer richting de jachthaven gevaren.

 

20170630 VlMWG NBr Steenbergen 0003 kl

20170630 VlMWG NBr Steenbergen 0024 kl

Bij thuiskomst hebben we de ervaringen met elkaar gedeeld en het vervolgplan besproken met een snelle blik op de eerste resultaten van de opgenomen geluiden van de batloggers. 

Ondanks de aanhoudende regen toch tussen 3.00 en 4.00 de eerste verkenning te voet door de wijk, waarvan we denken dat de verblijfplaats moet zijn. Daar treffen we enkele gewone en ruige dwergvleermuizen aan. 

Dit keer gaan we samen met de vleermuizen op stok, de meeste mensen willen slapen als de vleermuizen vliegen. Maar dat geldt niet voor de vleermuisliefhebbers. 

Enkele vroege vogels beginnen na een boterhammetje direct de data van de loggers te analysen. Rond half twee ‘s middags is iedereen weer boven Jan en gaan we ontbijten, dan wel lunchen.

De uitsmijters gaan er goed in. Daarna wordt het tijd om weer naar buiten te gaan. Ron vertelt de wetenswaardigheden over het sluizencomplex en de inzet van het Volkerak als waterberging. We wandelen door de Dintelse Gorzen naar de vogelkijkhut. Vanuit hier is het Volkerak goed te zien. Ook hier zijn waarnemingen van de meervleermuis bekend. 

Dan bekijken we een bunker uit de Tweede Wereldoorlog, waarvan we denken dat die op de nominatie moet komen voor vleermuizenwinterverblijf. Met Chiel en Erik wordt gekeken wat eraan moet gebeuren om het geschikt te maken als vleermuisverblijf. De volgende stap is naar de eigenaar, waterschap Brabantse Delta, en mogelijkheden voor subsidie verkennen. 

Inmiddels is het tijd voor het diner. Joke, die al heel het weekend de catering verzorgt, heeft heerlijke voor ons gekookt. Uitbuiken en Erik bestoken met alle vragen die we nog hebben en op naar de volgende ronde.

Op twee strategische plekken worden vaste loggers opgehangen en een apparaat waarmee we de vliegrichting kunnen bepalen. Hiermee proberen we aan te tonen dat de meervleermuizen echt uit de aangewezen wijk komen. We verdelen ons over de straten en Erik rijdt rond met de fiets. We worden achterdochtig gade geslagen door de bewoners, maar door elkaar aan te spreken en wat uitleg vanuit onze kant kunnen we ons vrij bewegen in de nachtelijke uren. De meldkamer van de politie is van te voren ingelicht over onze activiteit. Onze denkrichting over de verblijfplaats wordt wel concreter, maar we krijgen er nog geen vat op. De geluiden die de meervleermuizen produceren zijn boven land toch weer anders dan de boven water foeragerende en we ondervinden veel last van andere soorten die op het zelfde moment rondvliegen en het geluid overstemmen. 

Rest ons nog één kans, dus op tijd klaarstaan voor de invliegers en maar hopen dat ze zwermen.

Om kwart over drie zijn we ter plaatse. Laat ze maar komen, ze krijgen een hartelijk welkom we hebben een mannetje bij de haven staan. De overige personen staan verdeeld over de wijk te posten. Er worden geen zwermende vleermuizen aangetroffen en de vleermuizen die we horen krijgen we nauwelijks te zien. 

Vanuit de kop van de Steenbergse haven hebben we vliegbewegingen gezien en gehoord richting zuid en oost. (figuur 2). Tussen de smalle watergang Wilhelminastraat en de huizen aan de Burgermeester van Loonstraat zijn diepe tuinen. Vanaf hier zijn de daken, zeker in het donker, niet te zien. Aan de voorzijde van de huizen in de B. van Loonstraat zijn de daken wel zichtbaar. Daar zien we wel een aantal gewone dwergvleermuizen invliegen.

 Schermafbeelding 2018 01 11 om 15.41.54

Figuur 2: Woonwijk ten zuiden van de Steenbergse haven

Via de lange rode lijn zijn de meeste meervleermuizen gepasseerd. Op de locatie van de 2 rode sterren zijn meervleermuizen gehoord. 

Al bij al een zeer gezellig en geslaagd weekend. Het onderzoek wordt vervolgd, de zomer is nog niet ten einde. 

De resultaten van het onderzoek worden verder uitgewerkt en in een rapportage opgenomen.

Deelnemers aan het vleermuisweekend 2017:  Bernadet Adriaenssens, Bert Verheul, Chiel Simons, Erik Korsten, Eva Henrard  , Francien Lambregts van de Clundert, Hermine Verheul, Joke Stoop - Kalis, Peter Twisk, Ron Lambregts, Wim de Vrij, Wim Stoop

Tijdens zoldertellingen in de kerk van Ottersum (Noord-Limburg) zijn grijze grootoorvleermuizen aangetroffen: een stuk noordelijker dan waarvan deze soort toe nu bekend was. De grijze grootoorvleermuis zit in Nederland aan de noordgrens van zijn verspreiding. De komende jaren moet blijken of de soort zijn areaal als gevolg van de opwarming van de aarde naar het noorden uitbreidt. 

In het kader van het monitoringsmeetnet NEM Zoldertellingen Vleermuizen worden ieder jaar, meestal in het najaar, veel (kerk)zolders in Nederland onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Deze zoldertellingen zijn een belangrijke manier om twee zeldzame vleermuissoorten te monitoren in Limburg. De ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus) en de grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus) zijn niet zo gemakkelijk vliegend te ontdekken, maar wel op zolders te vinden. Beide soorten zitten in Nederland aan de noordgrens van hun verspreiding. De verspreiding van de grijze grootoorvleermuis was tot voor kort bekend in Limburg en Noord-Brabant, met Blitterswijck (Limburg) als noordelijkste recente vindplaats.

DSCN0134groepje grijze grootoren Ottersum Bernadette van Noort
Grijze grootoorvleermuizen op de kerkzolder in Ottersum (foto: Bernadette van Noort).

Toen duidelijk werd dat in Duitsland plannen gemaakt werden voor een windmolenpark in het Reichswald langs de grens tussen Kleve en Groesbeek / Gennep (dit is voorlopig van de baan), volgde een reeks onderzoeken naar het voorkomen van dieren en planten in de directe omgeving. Verschillende soorten zouden namelijk last kunnen krijgen van de windmolens. Bij het onderzoek naar vleermuizen werd een aantal grijze grootoorvleermuizen gezenderd. Een deel daarvan bleek naar de kerk van Ottersum te vliegen. Dat is nog net in Limburg, maar een stuk noordelijker dan tot nu toe bekend was.

verspreidingskaart PA
Verspreidingskaart grijze grootoorvleermuizen (bron: NDFF).

Bij de eerstvolgende mogelijkheid, in het najaar van 2016, werd deze kerk meegenomen in de jaarlijkse zoldertellingen. Er bleken vijf grijze grootoorvleermuizen op de zolder aanwezig. Inmiddels is de kerk ook in 2017 bezocht: dit jaar zijn er tien grijze grootoorvleermuizen aangetroffen. Hoelang de dieren er al zitten weet niemand. De laatste telling dateerde uit 1994; toen is er mest gevonden van gewone of grijze grootoorvleermuizen. Het is aannemelijk dat de vleermuizen zich hier nu gevestigd hebben. Of we de grijze grootoorvleermuis nu ook kunnen scharen onder de lijst van warmteminnende dieren en planten die onder invloed van de opwarming van de aarde hun areaal naar het noorden uitbreiden is nog niet duidelijk. Wel lijkt het zinvol om verder noordwaarts rekening te houden met deze soort.

Wil je ook meedoen aan het NEM Meetnet Zoldertellingen Vleermuizen, en vleermuizen op (kerk)zolders tellen? Voor dit jaar zit het er weer op, de tijd voor de winterslaap is aangebroken, maar voor volgend jaar zijn er zeker nog tellers welkom voor al die zolders die zelden of nooit geteld worden. Zowel in Limburg als in andere provincies. Geïnteresseerden kunnen zich aanmelden via deze link.

Tekst: Bernadette van Noort (provinciaal coördinator Limburg NEM Meetnet Zoldertellingen Vleermuizen Zoogdiervereniging).

Mark Sloendregt is uilenkenner (Netwerk Uilenbescherming Brabant) en gaat regelmatig mee met onze kerkzoldertellingen.

12

Elk jaar worden een groot aantal kerkzolders bezocht in verband met monitoring van vleermuisverblijven. Behalve uilen leven er in kerken veel meer (nachtelijke) dieren zoals vleermuizen. Het is er warm, rustig en donker: ideale omstandigheden. In deze tijd kun je er grootoorvleermuizen in kolonies aantreffen. Ze hangen vaak bijeen verscholen in nissen achter balken of in de nok van een zolder.

3

Bas Dielen coördineert in Brabant deze jaarlijkse kerkzoldertelling om het voorkomen van de zeldzame populatie Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus) in kaart te brengen. Kerkzolders op de zandgronden zijn favoriet bij deze warmte minnende soort, door de zwarte leisteendaken is de temperatuur er hoger dan elders. De beste tijd om grootoren te inventariseren is van half augustus tot half oktober.
De Grijze grootoorvleermuis heeft zijn areaalgrens in het zuiden van Nederland. De Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) komt wel in heel Nederland voor. Deze grootoorvleermuizen hebben enkele kenmerkende verschillen. Een Grijze grootoorvleermuis heeft een lange snuit, kleine wrat bij het oog, donker masker, donkere traguspunt en ook een korte duim.
De Gewone grootoorvleermuis heeft een stompe vleeskleurige snuit met een grote wrat bij het oog. De tragus is licht en de vacht op de rug bruin. De buikvacht is meer gelig van kleur.

7

Met behulp van verrekijkers en camera’s kunnen vleermuizen in de nok toch worden gedetermineerd. Lastiger wordt het als ze vliegen. Om het wegvliegen te voorkomen wordt het licht uitgelaten bij het betreden van de zolder. Een grondig onderzoek aan een kerkzolder duurt ongeveer een half uur.

Op de meeste kerkzolders is wel mest te vinden van vleermuizen, een teken dat ze er voorkomen. De mest van grootoorvleermuizen bestaat o.a. uit kevers, vliegen en nachtvlinders. De keutels zijn ingesnoerd en vaak bruin gekleurd van de vlinderschubben. Deze keutels kunnen – in tegenstelling tot muizenkeutels - makkelijk worden fijn gewreven. Tegenwoordig kan aan de hand van keutels met een DNA-analyse uitsluitsel worden geven over een soort.
Op 22 september hebben twee groepen tellers elk zeven kerken in de Kempen bezocht. In totaal werden in Brabant dit najaar 95 Grijze grootoorvleermuizen, 88 gewone grootoorvleermuizen, twee grootoor spec. en twee dwergvleermuizen aangetroffen op tweeëntwintig kerkzolders.
Enkele zolders herbergde grote kolonies van tientallen vleermuizen zoals de Achelse Kluis en de kerken in Dommelen en Soerendonk.

De monitoring van kerkzolders is tevens gericht op bescherming van de getelde kolonies. Het zal niet de eerste keer zijn dat een kolonie geruisloos verdwijnt door verbouwing of sloop. Het geven van voorlichting over vleermuizen is dan ook onderdeel van de telling.
Uilenbeschermers uit de buurt kunnen helpen door iets te vertellen over de aanwezigheid van vleermuizen. Vaak weten zij ook waar een sleutel kan worden opgehaald. Zo helpen we elkaar en dragen bij aan de bescherming van vleermuizen.

Tekst: Mark Sloendregt
Foto’s: René Janssen en Mark Sloendregt
Tellers: Bas Dielen, René Janssen, Simone de Lange, Carlo Wijnen en Mark Sloendregt

Veel vleermuizen overwinteren in door mensen gemaakte gebouwen of objecten, bijvoorbeeld in forten, bunkers, mergelgroeven of kelders. Veel hiervan waren niet bedoeld voor winterslapende vleermuizen, maar bleken wel geschikt. Deze ontdekking inspireerde vleermuisbeschermers om specifieke ‘vleermuiskelders’ te ontwerpen, het was echter onduidelijk of deze wel geschikt zijn voor vleermuizen.

In 1984 werden in Houten de eerste twee specifiek voor vleermuizen gebouwde kelders feestelijk geopend. Dit eerste ontwerp, een tunnel in een geluidswal, werd al snel op meer plaatsen in Nederland nagebouwd. In de jaren daarna zijn nog veel meer vleermuiskelders gebouwd, maar de belangrijke vraag of deze kelders ook daadwerkelijk door vleermuizen worden gebruikt is nog nooit beantwoord.

Het NEM Meetnet Wintertellingen Vleermuizen omvat vele duizenden tellingen van overwinterende vleermuizen in Nederland. Elk jaar worden vele honderden winterverblijven geteld, waaronder ook nieuw gebouwde vleermuiskelders. Uit een analyse van deze tellingen bleek dat er minimaal 187 specifiek voor vleermuisoverwintering ontworpen en gebouwde objecten in Nederland aanwezig zijn die ook nog eens regelmatig worden geteld. Waarschijnlijk is dit aantal nieuw gebouwde kelders een Europees record.


Drie watervleermuizen in nieuwbouwkelder Amersfoort (foto: Bernadette van Noort).

Wanneer gaan vleermuizen in nieuwbouwkelders overwinteren?

Een nieuw gebouwde kelder is geschikt voor vleermuizen als daadwerkelijk vleermuizen komen overwinteren, maar soms duurt het een aantal jaar voor een kelder wordt ontdekt, terwijl hij wel geschikt is. Om de ‘ontdektijd’ te achterhalen is van alle nieuw gebouwde kelders uitgezocht wanneer deze is gebouwd en wanneer de eerste overwinterende vleermuis werd gevonden. De tijd tussen bouwen en de eerste vleermuis is de ‘ontdektijd’. Uit de NEM-tellingen blijkt dat slechts enkele nieuwbouwkelders binnen een jaar worden ontdekt. Meestal was de gewone grootoorvleermuis de eerste bewoner, soms ook de watervleermuis. De grootoorvleermuis had binnen 5 jaar 75% van de kelders waarin deze soort uiteindelijk komt overwinteren, ontdekt. Natuurlijk zijn er ook kelders waarin geen grootoorvleermuizen opduiken, als na 5 jaar nog geen grootoorvleermuis is komen overwinteren, dan is de kans groot dat de kelder niet geschikt is voor de overwintering van vleermuizen. Uiteindelijk blijkt circa 65% van de nieuw gebouwde kelders gebruikt te worden door grootoorvleermuizen.


De 'ontdektijd' van nieuw gebouwde kelders.

Nieuwbouw werkt, maar effect is beperkt

Uit de gegevens blijkt ook dat  andere vleermuissoorten een veel langere ‘ontdektijd’ hebben. De franjestaart is pas na 9 jaar in 75% van de kelders te vinden waarin de soort uiteindelijk gaat overwinteren, de watervleermuis heeft 10 jaar nodig en baardvleermuizen doen er zelfs 12 jaar over om de 75% grens te halen. De meervleermuis is pas na 15 jaar in één enkele nieuwbouwkelder gevonden. Uiteindelijk blijkt slechts circa 20% van de nieuwbouwkelders ook gebruikt te gaan worden door deze soorten.  

Het bouwen van nieuwe kelders lijkt dan ook het meest geschikt voor gewone grootoorvleermuizen, terwijl andere soorten vaak pas na langere tijd, en lang niet altijd, in een nieuwbouwkelder komen overwinteren. Om te achterhalen hoe nieuwe kelders ook geschikt gemaakt kunnen worden voor de wat meer ‘kritische’ soorten als watervleermuis, franjestaart, baardvleermuis en meervleermuis zal een meer gedetailleerde analyse van overwinteringslocaties moeten plaats vinden.

In ieder geval is duidelijk dat nieuw gebouwde kelders voor vleermuizen kunnen werken en dat nieuwe kelders lokaal of regionaal een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het aantal geschikte overwinteringslocaties. Tegelijkertijd blijkt ook dat sommige vleermuissoorten pas na veel tijd en met veel moeite zijn te verleiden om in nieuw gebouwde objecten te komen overwinteren. Een belangrijke waarschuwing als een verblijf wordt gebouwd ter compensatie of mitigatie in het geval een oud, bestaand verblijf ongeschikt wordt.


Vleermuistelling in nieuwbouwkelder in Amersfoort (foto: Bernadette van Noort).

Onbekende kelder? Meld ‘m aan!

Vermoedelijk zijn de huidige, bekende 187 nieuw gebouwde kelders slechts een deel van de aanwezige nieuwbouwkelders in Nederland. Eenieder die nieuw gebouwde kelders kent en/of telt die niet aangemeld zijn bij het NEM, wordt gevraagd deze objecten aan te melden. Ook objecten waarin geen vleermuizen gevonden worden, tellen mee. Weet je zo’n kelder, stuur dan aan mailtje naar de Zoogdiervereniging. Bij een vleermuiskelder in Noord Brabant dan graag een mailtje naar onze Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Een uitgebreide analyse van nieuwbouwkelders is te vinden in de Telganger van oktober 2017. En alle vrijwillige vleermuistellers worden hartelijk bedankt voor het jaarlijks tellen van vleermuiswinterverblijfplaatsen en het doorgeven van alle teldata.

Tekst: Maurice La Haye en Eric Jansen (Zoogdiervereniging).

Stadsvogels en vleermuizen zijn al honderden jaren afhankelijk van mensen voor hun woonruimte. Door o.a. isolatie en betere afdichting van gaten en kieren onder daken hebben deze dieren het moeilijk gekregen. Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg gaan daar wat aan doen.

Gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen horen bij de stad, dat vinden Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg. Reden voor deze steden om de komende jaren te zorgen dat stadsvogels en vleermuizen meer nest- en verblijfplekken krijgen in gebouwen. Samen met Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging zorgen zij voor een flinke uitbreiding van nest- en verblijfplekken in Noord-Brabant.

Dat gebeurt bijvoorbeeld om de huismus te helpen. In de afgelopen 30 jaar is het aantal huismussen in Nederland gehalveerd en zijn ze uit veel binnensteden verdwenen. Maar ook gierzwaluwen, huiszwaluwen en vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger kampen met een gebrek aan woonruimte. Door bij renovatie en nieuwbouw op voorhand rekening te houden met vogels en vleermuizen is de achteruitgang tegen te gaan. Dat kan bijvoorbeeld door ‘neststenen’ in te metselen, of de manier van bouwen aan te passen zodat  het gebouw  ook voor vleermuizen geschikt wordt. Daarnaast wordt gewerkt aan het toegankelijk maken van kerktorens en -zolders.


Gewone dwergvleermuis (foto: Paul van Hoof).

Voordeel voor de inwoners van deze steden is dat deze dieren grote aantallen insecten waaronder muggen en vliegen eten. Zo helpen vleermuizen en vogels de overlast van insecten te verminderen. Daarnaast zijn het interessante dieren die laten zien dat natuur en de stad met elkaar verbonden zijn.

Samenwerking

De vijf Brabantse gemeenten slaan de handen ineen met  verschillende partijen om de extra woonruimte voor vogels en vleermuizen voor elkaar te krijgen. Naast Vogelbescherming en de Zoogdiervereniging zijn dit woningcorporaties, projectontwikkelaars, architecten en aannemers. Voorbeeldprojecten in de gemeente Tilburg laten zien dat deze manier van samenwerken loont en mooie resultaten kan opleveren.

“Wij willen in de B5-steden een voorbeeld zijn voor het ‘natuurinclusief’ bouwen om zo vogels en vleermuizen meer ruimte te geven”, aldus Mario Jacobs, wethouder in gemeente Tilburg en voorzitter van het samenwerkingsverband van de vijf grote Brabantse steden.

Provincie doet mee

De provincie Noord-Brabant financiert voor een groot deel deze extra woonruimte voor vogels en vleermuizen in Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg. De provincie steunt dit project omdat hiermee de soortenrijkdom in het stedelijk gebied van Brabant wordt gestimuleerd.

Tekst: Stefan Vreugdenhil (Vogelbescherming Nederland) en Marcel Schillemans (Zoogdiervereniging).

Het ontwerp-goedkeuringsbesluit ‘Gedragscode natuurinclusief renoveren’ van staatssecretaris Van Dam maakt zijn goede bedoelingen niet waar. In de huidige vorm lopen beschermde vleermuizen onaanvaardbare risico’s. Dat kan en moet beter volgens de Zoogdiervereniging.

Klimaatverandering is een groot probleem. Niet alleen voor mensen, maar ook voor wilde zoogdierpopulaties. De Zoogdiervereniging is daarom een warm voorstander van het verduurzamen van onze woningvoorraad. De gedragscode ‘natuurinclusief renoveren’ beoogt grootschalige industriële renovatie mogelijk te maken. In het project ‘Stroomversnelling’ krijgt dit vorm met het NOM (Nul Op de Meter) keurmerk. Onderdeel van het NOM keurmerk is het werken conform de gedragscode. Door de gedragscode te volgen zouden natuurwaarden niet alleen ontzien, maar zelfs versterkt moeten worden.  

Vleermuizen zijn interessante en nuttige dieren, die onze bescherming nodig hebben. Gelukkig hebben ze die ook: zowel van onze eigen overheid, als vanuit vele internationale verdragen. De eerste beschermingswetgeving voor vleermuizen was gebaseerd op hun nuttige rol als insecteneters. Een vleermuis eet per nacht tot wel enkele duizenden insecten. Als gevolg van klimaatverandering zullen de omstandigheden voor veel insecten steeds gunstiger worden. De leefbaarheid van onze (bebouwde) omgeving is dus gebaat bij gezonde vleermuispopulaties. De gedragscode is daarmee een prachtig voorbeeld van hoe milieu- en natuurdoelstellingen elkaar zouden kunnen versterken.

Als Stroomversnelling zijn ambitie waarmaakt, zal de impact op de gebouwbewonende zoogdieren enorm zijn. Het is de bedoeling dat dit een positieve effect zal zijn, maar in haar huidige vorm is de gedragscode nog te onvolledig en onzorgvuldig om haar belofte waar te kunnen maken. De gedragscode is zo geformuleerd dat ze eerder een vrijbrief dan een waarborg is. De voorgestelde borging laat de bevoegde instanties namelijk buiten beeld waardoor het NOM een ‘slager die zijn eigen vlees keurt’ keurmerk wordt. Zoals nu voorgesteld, wordt er onvoldoende onderzocht met welke soorten een project rekening moet houden. Daarnaast wordt de gedragscode van toepassing verklaard voor situaties en soorten waarvoor dit nog niet mogelijk is. Van de meeste voorgestelde maatregelen is de werking nog niet aangetoond waardoor deze nog niet bewezen effectief zijn. Tenslotte sluiten de voorgestelde werkwijzen in de gedragscode voor de verschillende soortgroepen niet bij elkaar aan en leiden ze tot schade aan soorten. Een aantal werkwijzen vergt veel kennis en inzicht in de ecologie van vleermuizen en een strikte begeleiding. Hieraan wordt voorbijgegaan, en deze worden niet of nauwelijks afgedwongen. Het risico dat populaties van vleermuissoorten zullen afnemen of dat we zelfs soorten zullen verliezen is daarmee levensgroot. Het gaat hier om een belangrijk deel van onze vleermuispopulaties. Dit betreft niet alleen de algemene gewone dwergvleermuis, maar ook zeldzame en bedreigde soorten als laatvlieger, meervleermuis, vale vleermuis en baardvleermuis.


Gewone dwergvleermuis (foto: Paul van Hoof).

De gedragscode ‘natuurinclusief renoveren’ biedt ook kansen om de ontwikkeling van de (openbare) ruimte in Nederland eenvoudiger en kosteneffectiever te maken zonder negatieve effecten op soorten. Daarvoor moet de gedragscode wel aangescherpt worden. Een belangrijk uitgangspunt van de huidige gedragscode is dat de werkwijze voortdurend wordt verbeterd door ervaringen in de praktijk te monitoren. Op basis van de gegevens in de gedragscode moeten we helaas constateren dat de voorgestelde monitoring niet tot bruikbare resultaten kan leiden. Het is echter wel degelijk mogelijk de monitoring zo in te richten dat deze wel de noodzakelijke kennis oplevert.

De door de Zoogdiervereniging voorgestelde aanpak kan de ambitie om natuurinclusief te renoveren ook echt waarmaken. De benodigde kennis is al aanwezig of kan gericht ontwikkeld worden. We vinden het een uitdaging en een plicht om het mogelijk te maken dat het werken aan een betere toekomst niet ten koste van natuurwaarden gaat, maar deze zelfs versterkt.

De zienswijze van de Zoogdiervereniging is hier te downloaden.

Tekst: Piet Bergers en Marcel Schillemans, Zoogdiervereniging.